Leren romans je iets over het échte leven van de schrijver - zijn nare jeugd, zijn scheiding, een verloren kind? Helemaal niet, vond Marcel Proust. Het ware zelf van de schrijver ligt juist ín zijn werk. Het blijkt nog altijd een actuele gedachte.
Veel lezers geloven dat schrijvers uitdrukking geven aan wat hen ten diepste beweegt. Hun werk kun je bijgevolg zien als versleutelde boodschappen die niet zelden toegang geven tot een ongelukkige jeugd. In de literatuurkritiek is die opvatting - vooral in de vorige eeuw - hevig bestreden. Critici vervielen daarbij tot het andere uiterste: ze leken zich vrijwillig te blinddoeken wanneer iets buitentekstueels de literaire zuiverheid kwam vertroebelen.
Tussen deze beide uitersten tref je talloze nuances aan, variërend van de opvatting dat biografische informatie soms wel en soms niet nuttig kan zijn, tot de mening dat literatuur zich van taal bedient en dus een vorm van communicatie is.
De letterkunde van de negentiende eeuw werd gedomineerd door de omgang met literatuur als een vorm van menselijk gedrag. In die visie zijn romans en gedichten de eindproducten in een ketting van oorzaken en gevolgen. Al wat de professionele lezer moet doen is het spoor terug volgen en nagaan welke omstandigheden en gebeurtenissen in het leven van de schrijver hebben geleid tot juist dit resultaat. De grote man van deze richting is de Franse criticus Sainte-Beuve (1804-1869).
Na 1900 kwam er van verschillende zijden verzet tegen deze quasiwetenschappelijke methode. De bezwaren kwamen er op neer dat je de literatuur onrecht aandoet wanneer je haar exclusief beschouwt als een symptoom of een afgeleide van iets anders. Niet de psychologische lading of de maatschappelijke functie doet ertoe, maar de specifieke samenhang van vorm, stijl en thematiek.
De eer om Sainte-Beuve als eerste op de korrel te hebben genomen, komt toe aan Marcel Proust. Geplaagd door een creatieve impasse – hij had nog nauwelijks iets gepubliceerd en was blijven steken in zijn eerste roman, het postuum gepubliceerde ’Jean Santeuil’ – kwam Proust ertoe zich te meten met de criticus die gold als het ijkpunt van de goede smaak.
Proust verwijt Sainte-Beuve dat hij met zijn concentratie op de publieke kanten van de schrijverspersoonlijkheid voorbij gaat aan het wezen van de literatuur. Wie de auteur wil vinden, moet niet zoeken buiten, maar juist in het werk. Alleen daar tref je, eerder met behulp van inleving dan via analyse, ’het diepe ik’ van de maker aan, een karakter dat zich heeft getransformeerd tot een fluïdum van meervoudig gefilterde taal. Om het te zeggen in de bewoordingen die Proust voor Flaubert reserveert: „Alle delen van de werkelijkheid worden omgezet in één enkele substantie. (-) Alles wat anders was, is omgezet en geabsorbeerd.” In Prousts ogen steekt Flaubert daarmee gunstig af tegen een romancier als Balzac, in wiens werk de werkelijkheid al te rauw en onversneden wordt opgediend.
Het gaat Proust er dus niet om de navelstreng tussen werk en schrijver door te snijden, maar om te laten zien dat die band van een totaal andere aard is dan Sainte-Beuve het voorstelt. Dat hij daarmee put uit de eigen schrijverspraktijk, blijkt uit de compositie die hij voor zijn betoog kiest. Zijn filippica ligt ingebed in een verhaal. De verteller is laat naar bed gegaan, kan niet slapen en wordt bij het krieken van de dag gewaar dat een langverwacht artikel van zijn hand in de Figaro is geplaatst. Daarover pratend met zijn moeder, bij wie hij inwoont, komt het idee voor een ander stuk bij hem op: tegen Sainte-Beuve.
Proust grijpt het motief van de slapeloosheid aan voor mijmeringen over de uitgestrekte paleizen van het geheugen, waarin je al dromend en associërend van de ene herinnering naar de andere dwaalt. Hij noemt dat alleen voor hemzelf toegankelijke verleden ’de innerlijke essentie’, de plek waar zijn eigenlijke persoonlijkheid te vinden is. Door met de pen in de hand te mijmeren en te associëren, maakt hij duidelijk dat zijn ware zelf samenvalt met zijn werk. V.S.Naipaul, die in zijn dankwoord bij de uitreiking van de Nobelprijs 2001 instemmend naar Proust verwees, omschreef het als volgt: „Ik ben de som van mijn boeken.”
Proust heeft zijn essay nooit voltooid en evenmin gepubliceerd. Twee jaar lang ontwierp hij de ene versie na de andere, maakte aantekeningen en kladjes, tot hij ontdekte dat de verhalende verpakking bezig was uit te groeien tot een roman. Daarmee lag de weg naar ’Op zoek naar de verleden tijd’ open en raakte de aanleiding vanzelf op de achtergrond. Dat doet overigens niets af aan het grote belang ervan voor Proust persoonlijk en de literatuurkritiek in het algemeen. Want ’Tegen Sainte-Beuve’ is nog steeds welbesteed aan al te zeer op human interest beluste lezers – en critici.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.