*

 

Relatie met arts opbouwen

Joop Bouma − 09/04/09, 17:51

Artsen vinden in grote meerderheid (84 procent) dat zij bij het vermoeden van een seeding trial niet mee moeten doen aan een onderzoek. Dit bleek in 2001 uit een peiling van de artsenkoepel KNMG onder 400 artsen. Of dit voornemen ook in praktijk wordt gebracht is de vraag.

De farmaceutische industrie ontkent dat fase IV-onderzoek in veel gevallen pure marketingonderzoeken zijn. Maar toen de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in 1999 bij verrassing 28 marketingplannen in beslag nam bij tien farmaceutische bedrijven, bleek dat bij 48 van de 71 fase IV-studies zonder omwegen als doelstelling werd genoemd: ’beïnvloeding van het voorschrijven van het geneesmiddel’ en ’opbouw van de relatie met de arts’. In de resterende 23 studies ontbraken concrete onderzoeksdoelstellingen.

’Het presenteren van deze vormen van beïnvloeding als onderzoek kan gezien worden als maatschappelijk onaanvaardbaar en onethisch,’ vond de IGZ. ’Het ondermijnt het vertrouwen van de burger in de gezondheidszorg.’ Twee voorbeelden van seeding trials:

Actokit

Farmaceutisch bedrijf Sanofi-Aventis benaderde begin 2005, mede namens fabrikant Procter & Gamble, artsen voor het fase IV-onderzoek naar Actokit, een combinatiemiddel voor de behandeling van osteoporose (botontkalking). Artsen die aan de studie meededen, kregen 75 euro per patiënt. Voor dat bedrag moesten de zij of hun praktijkverpleegkundigen een paar vragenformulieren invullen. De bedoeling was dat uiteindelijk 4000 patiënten door hun arts op Actokit zouden worden gezet.

De studie had als belangrijkste doel het meten van de ’kwaliteit van leven’ bij gebruik van Actokit. Maar volgens klinisch farmacoloog Leo Offerhaus, die destijds het onderzoeksprotocol bestudeerde, sloegen de vragenlijsten slechts ten dele op de kwaliteit van leven. Er werden ook vragen gesteld die op het eerste gezicht weinig met osteoporose van doen hadden. „Met een serieuze meting van de ’kwaliteit van leven’ heeft de studie weinig van doen”, aldus Offerhaus.

De voorwaarden voor de artsen om aan de KIT-studie te mogen deelnemen waren volgens Offerhaus nauwelijks acceptabel. „De selectie van patiënten lijkt nergens naar. De beoordeling van het effect van de behandeling en van de therapietrouw voldoet niet aan de meest essentiële voorwaarden. De door de sponsor aan de deelnemende artsen opgelegde voorwaarden zijn regelrecht in strijd met de moderne eisen van transparantie. Er kan aan dit onderzoek geen enkele wetenschappelijke waarde worden toegekend. Het is duidelijk dat een snelle introductie van het middel voor een zo hoog mogelijke prijs het hoofddoel vormt.”

Sanofi-Aventis en Procter & Gamble, de twee fabrikanten van het combinatiemiddel Actokit, vonden de kritiek van Offerhaus ’tendentieus’.

Olmetec

Olmetec is een me too, een middel dat sterk lijkt op reeds bestaande, van het Japanse bedrijf Sankyo Pharma. Het is een bloeddrukverlager uit de klasse van de angiotensine-II-antagonisten. Daarvan waren er in 2005 zeven op de markt. Bloeddrukmiddelen zijn goudmijntjes voor de industrie, omdat ze veel worden geslikt en veelal op continue basis. In 2007 werden deze middelen 2,4 miljoen keer voorgeschreven; de totale kosten voor de gezondheidszorg bedroegen een kleine 140 miljoen euro.

Sankyo Pharma Nederland wilde door huisartsen, internisten en cardiologen 4000 patiënten in Nederland laten selecteren en 20.000 in andere Europese landen. Voor het invullen van wat formulieren ontvingen de artsen 60 euro per patiënt.

Olmetec en de andere angiotensine-II-antagonisten zijn middelen van de derde lijn, ofwel laatstekeusmiddelen. Volgens de standaarden schrijven artsen bij hypertensie eerst plaspillen voor. Als die niet helpen, volgen de bètablokkers of ACE-remmers.

Uit het protocol van de Olmetec-PMS leidde Offerhaus af dat de fabrikant niet erg ambitieus is geweest bij de onderzoeksopzet. „Kennelijk wil die alleen zoveel mogelijk bijwerkingen verzamelen. Bij een open onderzoek is dat wat wonderlijk, omdat de fabrikant zelf zegt dat het bijwerkingenpatroon bij dit middel gelijk is aan de bijwerkingen bij mensen die een placebo slikken. Waarom zoekt men dan naar iets waarvan men meent dat het er niet is?”

De Olmetec-studie was er vooral op gericht bijwerkingen op te sporen, maar Offerhaus wees erop dat er al een groot Europees onderzoek naar werkzaamheid en veiligheid van dit middel liep, waarvan overigens geen melding werd gemaakt in het studieprotocol. In de bijsluiter worden ’zeer zeldzame’ bijwerkingen van minder dan 1 op de 10.000 gevallen gemeld. Offerhaus: „Dat betekent dat óf een meervoud van het aantal van 10.000 patiënten al met dit middel is behandeld, óf dat de opsomming van zeldzame bijwerkingen uit de lucht is gegrepen.” Er was, aldus Offerhaus, geen enkele noodzaak voor een nieuw onderzoek naar Olmetec.

Zijn conclusie: „Een groot aantal patiënten met matige tot lichte hypertensie gaat onder het mom van een trial onterecht behandeld worden met een kostbaar middel van de derde lijn. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de fabrikant al over ruim voldoende patiëntenbestanden beschikt om het bijwerkingenpatroon te overzien. Het werkelijke doel van dit onderzoek is slechts introductie, promotie en verkoopbevordering.” Sankyo Pharma wilde destijds niet inhoudelijk reageren op de kritiek van Offerhaus.

Dit is een bewerking van passages uit het boek ’Slikken. Hoe ziek is de farmaceutische industrie’ (2006) van Joop Bouma, uitg. L. J. Veen.

mailIcon print |