Voor één leerling is iedereen bang, een ander explodeert als ze haar zin niet krijgt. Jongeren als deze krijgen een tweede kans op de ’rebound’. Deel 3 van een serie waarin Trouw onderzoekt hoe middelbare scholen omgaan met probleemleerlingen.
’Dit is saai, dit maken we elke dag mee”, merkt Wesley op. Hij en zijn klas – welgeteld vier leerlingen vandaag – hebben van dramadocent René Koenegras de opdracht gekregen te spelen dat ze in de tram zitten. Een van de jongens is de conducteur, de anderen spelen de passagiers. De eerste passagier laat netjes zijn abonnement zien, maar een tweede geeft de conducteur een grote mond en gaat er dan snel vandoor. Nogal levensecht, kennelijk.
Wesley en zijn klasgenoten brengen een maand of drie door bij Accent Onderwijsopvang, een zogeheten reboundvoorziening in Rotterdam. Hier worden leerlingen opgevangen die op hun eigen school niet meer te handhaven zijn – omdat ze agressief zijn en de veiligheid op school in gevaar brengen, of omdat ze andere problemen hebben waardoor hun school niet meer weet wat ze met hen aanmoet.
Accent heeft plaats voor 28 leerlingen, die in groepen van hoogstens zeven worden ondergebracht. De bedoeling is dat de rebound hen zover brengt dat ze na een paar maanden weer terug kunnen naar hun school . Een team van vijf docenten, drie medewerkers van een jeugdhulporganisatie en een coördinator moet daarvoor zorgen.
Voor het team van Accent begint de dag om half negen met het uitwisselen van informatie („Mourad komt vandaag niet, hij zit op het politiebureau.”) Een half uur later komen de leerlingen. Die ontbijten eerst samen, daarna volgen ze een rooster van studielessen en trainingen.
Drama is de favoriete les van veel leerlingen. „Er komen soms dingen naar boven waar leerlingen nog nooit over gepraat hebben”, zegt docent Koenegras. „De maskers gaan af. Soms zijn ze in tranen. Je zou denken: daar worden ze mee gepest. Maar dat is niet zo. Ze hebben respect voor elkaars ellende.”
Vandaag geeft Koenegras zijn leerlingen hun zin. Na de tramscène geeft hij een nieuwe improvisatieopdracht: speel dat jullie na sluitingstijd zijn opgesloten in een wassenbeeldenmuseum. De jongens leven zich uit, spelen dat ze wanhopig zijn, terwijl degene die de rol van wassen beeld is toebedeeld roerloos toekijkt. Tot Koenegras hem een seintje geeft om in beweging te komen en hij de anderen een doodsschrik bezorgt.
„Angst”, zo begint Koenegras de nabespreking van de scène. „Dat is een onprettig gevoel. Heeft het ook goede kanten?”
„Het kan leuk zijn, als je naar een horrorfilm kijkt”, zegt een jongen. Maar even later vertellen de jongens over hun eigen angstige ervaringen. Eén is als kind bijna verdronken en is nog steeds bang om te varen, een ander zag een tijd geleden vlakbij zijn huis een lijk liggen.
De stilste van het stel, degene die zo berustend de rol van wassen beeld speelde, is Frank. ’Bekend bij de politie’ heet het in het dossier van Accent. Ouders gescheiden, moeder heeft geen vat op hem. Woont nu bij zijn vader en dat gaat iets beter. En hoe stil hij ook overkomt, op de school waar hij vandaan komt, waren medeleerlingen bang voor hem; hij pestte nogal. Hem teruggeplaatst krijgen wordt nog ’een hele klus’, zegt Ron van Rossum, coördinator van Accent. „We zeggen vaak tegen leerlingen: zorg dat we reclame voor je kunnen maken. Dat snappen ze wel.”
Van Ahmet, een andere jongen uit de dramales, staat vast dat zijn school hem niet terug wil. Die stuurde hem naar Accent omdat hij klasgenoten bedreigde. Hij heeft er vijf maanden bij Accent op zitten; de afgelopen weken is hij een paar dagdelen teruggeweest op school en dat ging niet goed. „Het is onmacht, geen onwil”, zegt Van Rossum. „Hij is beter op zijn plaats in het speciaal onderwijs, in een omgeving met nog meer structuur. Dan hoeft hij ook niet voortdurend gecorrigeerd te worden, dat is beter voor zijn zelfbeeld.”
Met Maaike, leerling uit een ander klasje, gaat het deze week juist beter. Zij behoort tot een groep leerlingen met wat Accent ’internaliserende problemen’ noemt. Hun agressie richt zich vaak niet naar buiten, maar vanwege faalangst of depressiviteit zijn ook zulke leerlingen voor een school soms niet te hanteren. Maaike heeft weerstand tegen alles wat móet, zegt Van Rossum. „Alles moet zoals zij het wil en als dat niet gebeurt, explodeert ze.” Zoiets gebeurde vorige week nog en dat kwam haar op een schorsing te staan. Sindsdien doet ze haar best.
Hoe werkt dat, al deze jongeren met problemen bij elkaar? „We zijn kleinschalig, we hebben veel tijd voor de leerlingen”, zegt Van Rossum. „In eerste instantie zien leerlingen hun verblijf hier vooral als straf. Ze vinden meestal dat de oorzaak van hun problemen bij anderen ligt. Vaak zijn ze argwanend tegenover volwassenen, ze hebben ouders die van alles beloven maar niets doen, of docenten die zich niet aan afspraken houden. Wij hebben duidelijke regels en controleren alles, maar geven ze wel het gevoel: je mag er zijn. Daardoor ontspannen ze, ik zie ze weer lachen. Ze zien dat ze hier kansen krijgen; die willen ze pakken.”
Pakken de jongeren die kans, dan kunnen ze terug naar een gewone school. Maar die terugplaatsing is voor alle rebounds een knelpunt. Ongeveer een derde van de leerlingen gaat na de rebound terug naar de oude school, blijkt uit onderzoek. Voor de rest moet een nieuwe gevonden worden. Veel scholen staan niet te springen om deze leerlingen op te nemen, zeker niet midden in een schooljaar.
Sowieso is samenwerking met reguliere scholen een groot knelpunt, stelde de inspectie van het onderwijs een half jaar geleden vast. Het is de bedoeling dat leerlingen in de rebound doorgaan met hun schoolwerk, zonder extra achterstand op te lopen. Maar aan die eis kunnen de rebounds alleen voldoen als hun scholen zich daarvoor inzetten. Die moeten zorgen voor lesmateriaal en af en toe vakdocenten langs sturen om de stof uit te leggen. Maar veel scholen voelen zich niet meer verantwoordelijk zodra ze een leerling naar de rebound hebben verwezen.
„Uitermate ongewenst”, noemde de inspectie deze gang van zaken. Leerlingen in de rebound lopen zo toch vertraging op en blijven bij terugkomst op school soms ook zitten. Hun opvoedende taak vervullen de rebounds goed, concludeerde de inspectie, maar als het om onderwijs gaat, moet het nog beter.
Van Rossum kent de kritiek. De samenwerking met de scholen gaat steeds beter, merkt hij op, maar de spagaat tussen opvoeden en onderwijs is onontkoombaar. „Die cognitieve kant blijft een zwakke plek, dat is bijna niet te voorkomen”, legt hij uit. „Leerlingen zitten hier tenslotte vanwege hun gedrag, dat is ook de reden dat ze op school zijn afgehaakt. Daar besteden we veel tijd aan die niet aan onderwijs besteed kan worden. Anderzijds: als het gedrag op orde is, gaat het met de studietaken vaak ook beter.”
„Ga allemaal goed staan”, klinkt het even later in het gymzaaltje van Accent. Hier wordt de weerbaarheidstraining ’rots en water’ gegeven, over standvastigheid en flexibiliteit, over hoe je in verschillende omstandigheden ook verschillend kunt reageren. Vandaag gaat het over lichaamstaal. „Zorg dat je goed gegrond bent, wees gefocust”, roept trainster Marlies Poot. „Zorg dat je ademhaling in je buik zit.”
De leerlingen moeten tegen elkaars schouder of heup duwen. „Geef je tegendruk, dan gaat je ademhaling omhoog, dat zie ik bij veel leerlingen gebeuren”, zegt Poot. „Kijk naar Osman, die geeft een klein beetje mee. Heel goed. Dan blijf je sterk vanuit je centrum.”
De laatste les voor deze groep is een studieles. In een klein lokaal zijn de leerlingen ieder voor zich bezig met hun eigen schoolwerk. Docente Natasja van Krugten houdt toezicht en helpt af en toe even – wat haar bij wiskunde de nodige hoofdbrekens kost, want dat is haar vak niet.
De stilte wordt verbroken als Van Krugten even wegloopt, het lokaal uit. Paul begint te klieren tegen Max, Max reageert door hinderlijk geluid te maken met zijn computer, de hele klas raakt in rep en roer. De orde wordt pas hersteld als de docente terugkomt; ze neemt de twee jongens één voor één apart.
„Heb je dit nou als rots of als water opgelost?”, vraagt Van Krugten aan Max. Die mompelt binnensmonds. „Dit was typisch zo’n situatie waarin je even weg had kunnen lopen”, houdt zijn docente hem voor. „Even ruimte voor jezelf nemen.”
„Als je er de hele tijd bijblijft, gebeurt er nooit iets”, verklaart Van Krugten na de les. „Dus loop ik met opzet af en toe weg. Dan gebeurt er iets en daar leren ze van.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.