*

 

Filmkenners onder elkaar

Wim Boevink − 25/09/09, 00:00

In de stad had het circus van het Nederlands Filmfestival zijn tenten opgeslagen. Een festival is een feestje: voor het publiek, maar zeker ook voor de industrie zelf, de filmindustrie dus. Wie daarbij horen is op zo’n festival gemakkelijk te herkennen, want dan draag je, aan een rood koord op je nek, een badge met daarop je foto. Dat geeft, bij honderdduizend bezoekers, toch iets intiems, iets van ingewijden, je waant je in bijna galactische zin dichter bij de sterren. Ik droeg mijn zojuist verworven collier dus met enige gewichtigheid, want het filmbedrijf is van alle kunsten toch de tak met de meeste glamour – sterker nog: het heeft het woord glamour voortgebracht.

Zo’n festival mag dan een feestje zijn, met aan het eind een goddeloze prijzenregen van gouden kalveren, het gaat er intussen soms best tobberig aan toe. Ik had net mijn collier omgehangen in de festivaltent op de Utrechtse Neude, toen in een van de ruimtes een debat op het punt stond te beginnen.

Op een scherm stond het als annonce verpakte thema: ’artistieke film zoekt verdieping’.

Nu weet ik niet veel van film, maar ik dacht altijd dat artistieke films juist vanwege die – soms onbegrijpelijke – verdieping artistiek genoemd werden.

Ik zag een podium en een tafel. Daaraan zat een kalende man, de gespreksleider kennelijk. Naast hem waren nog drie plaatsen leeg, bedoeld voor gasten. Maar eerst nodigde hij een eminente oud-filmcriticus uit te spreken, een man met machtig grijze manen en veel autoriteit in zijn stem, die bozig een beller in de zaal tot de orde riep.

De criticus sprak liever niet van artistieke films, maar van auteursfilms en hij definieerde de auteursfilm – met een geleende omschrijving – als een film die niet gemaakt kan worden als de regisseur op dag 1 onder de tram komt. Van zulke bijzondere, trambaan-mijdende filmers lopen er in Nederland een aantal rond: die maken films die het goed doen op buitenlandse festivals, maar in Nederland gaat er haast niemand voor naar de bioscoop. Ik dacht, ja een kunstfilm draai je niet voor de massa, maar ik had dat collier nog maar net om.

De drie gasten waren alle drie auteursfilmers. Ze hadden films gemaakt als ’Langer Licht’, ’Calimucho’ en ’Hunting & Zn.’ Ik had er tot mijn schaamte nog nooit van gehoord. Ze lieten een paar scenes zien, waarvan vooral die uit ’Voorland’ me bijbleef, van een slak die op de vlucht voor opkomend water op de top van een spriet het vege lijf probeerde te redden – dramatischer eigenlijk dan die computer geanimeerde ’De Storm’.

De regisseurs tobden met de kritiek dat ze met hun huiskamerdrama’s niet spraakmakend waren. „We zijn toch geen journalisten?” riep er een. Ze wilden geen verhalen vertellen, een verhaal was een noodzakelijk kwaad om een ’gevoel’ over te brengen.

Getroffen door dat inzicht knikte ik instemmend en kneep nog eens hard in mijn badge.

mailIcon print |