Er klonken de afgelopen tijd verschillende oproepen tot meer engagement in de Nederlandse literatuur. Publicist Rien Fraanje deed een willekeurige greep uit de romans die hij recentelijk las om deze noodkreten te toetsen.
Dit voorjaar werden in de rimpelloze vijver van de Nederlandse letteren twee kleine keien gegooid. De Amsterdamse hoogleraar Thomas Vaessens pleitte in zijn veel bekritiseerde boek ’De revanche van de roman’ voor meer engagement in de literatuur. Als schrijvers de politiek links laten liggen, aldus Vaessens, rest voor de literatuur slechts een plaats in de marginaliteit.
Kort daarop publiceerden Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer in dit katern hun ’Manifest voor een riskante literatuur’. Daarin stellen zij dat kunstenaars ten volle verantwoordelijk zijn voor de toestand in de wereld. „Deze tijden van globalisering, immigratie, toenemende religieuze spanningen, oorlog, uitholling van de democratie onder druk van populisme, verkwanseling van grondrechten onder het mom van bevordering van de veiligheid, ecologische rampspoed en economische crisis zijn bijzondere en bijzonder gevaarlijke tijden die bijzondere eisen stellen aan de kunst. Wij pleiten voor een moratorium van tien op jaar op literatuur die elke pretentie ontbeert om zich op enige manier tot deze thema’s te verhouden.”
De doelstellingen van Vaessens enerzijds en Harmens en Pfeijffer anderzijds verschillen. De eerste wil vooral de literatuur redden van een door hem gevreesde teloorgang; engagement is het middel om dat te bereiken. Het dichtersduo ziet engagement als doel op zichzelf. Maar in de kern komt het bij beide initiatieven op hetzelfde neer: zij missen maatschappelijke betrokkenheid in het werk van Nederlandse schrijvers. Hun verhalen ontberen op z’n minst de poging om de grote sociaal-maatschappelijke en politieke vragen te vangen in literaire verbeelding en thematiek.
Ongenoegen over vermeende onverschilligheid ligt ook ten grondslag aan de recente uitlatingen van minister Guusje ter Horst van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties in Vrij Nederland. Zij roept op tot een opstand van de elite, een tegenbeweging „van mensen die zeggen: we hebben genoeg van de vergroving, de samenleving die extreem rechts propageert is niet het Nederland waarin wij willen leven.” Ze vestigt haar hoop op ’weldenkende en wellevende’ mensen die „durven in te gaan tegen het gebrek aan respect, het onderlinge wantrouwen en de opvattingen van slecht geïnformeerde mensen”.
De verschillen met de oproepen tot literair engagement zijn natuurlijk evident. Vaessens, Harmens en Pfeijffer spreken in de eerste plaats schrijvers aan, terwijl de bewindsvrouw de verzamelnaam ’elite’ gebruikt. Daar bedoelt ze ongetwijfeld ook schrijvers mee, maar zeker niet alleen. Daarnaast heeft Ter Horst een directe aanleiding voor haar pleidooi: de hoge score van Geert Wilders en de zijnen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Een dergelijke directe reden lijkt bij de literaire initiatieven te ontbreken.
Het begrip ’opstand’ impliceert dat verzet nodig is tegen een overheersende groep, gedachte, stroming of bestel. Opstand creëert een nieuw ’wij’ tegenover een al bestaand ’zij’. Op welke ’zij’ heeft de minister haar pijlen gericht? En is voldoende duidelijk waartegen de elite dan precies in opstand moet komen? Een opstand veronderstelt dat dominant gedrag en meningen moeten worden veroordeeld. Maar aan een oordeel, laat staan een veroordeling, behoort begrijpen vooraf te gaan. Begrijpt de elite het volk al voldoende om tot een oordeel te komen en vervolgens tot opstand over te gaan?
Voor deze vraag moeten we weer terug naar Vaessens, Harmens en Pfeijffer. De hoogleraar en de beide schrijvers verzetten zich tegen de gedachte dat de literatuur op zichzelf staat, autonoom is. En een willekeurige greep uit de Nederlandse romans die ik de afgelopen jaren heb gelezen, levert eigenlijk wel begrip op voor hun noodkreten.
De Nederlandse literatuur kenmerkt zich inderdaad door politieke en maatschappelijke afzijdigheid. De personages lijken losgeweekt van elke grotere context, van een samenleving met spanningen, conflicten en dilemma’s. Ik geef zomaar wat voorbeelden.
Herman Koch voert in zijn roman ’Het diner’ wel een politicus op, maar het centrale thema is veel meer de vraag hoe lang je als ouder je kind kunt blijft beschermen als het een misdaad heeft begaan. Dit interessante dilemma verliest bovendien elke relevantie als blijkt dat zowel vader als zoon aan een niet nader genoemde geestesziekte lijden.
In het veelgeprezen ’Over de liefde’ dompelt het alter ego van schrijfster Doeschka Meijsing zich onder in verdriet nadat haar vriendin er zwanger en wel met een man vandoor gaat.
Connie Palmen doet in ’Lucifer’ erg gewichtig om te verhullen dat ze het bewijs dat componist Peter Schat zijn vrouw heeft omgebracht niet rond heeft kunnen krijgen.
En stijlvirtuoos Tim Krabbé schrijft eigenlijk alleen over de liefde (’Marte Jacobs’, ’Een tafel vol vlinders’).
Geen misverstand: het gaat hier om goed geschreven boeken die ik met veel plezier heb gelezen. Maar wat opvalt is dat deze romans vaak over de culturele en politieke elite zélf gaan. De boeken hebben schrijvers (’Marte Jacobs’), componisten (’Lucifer’), journalisten (’Over de liefde’) of politici (’Het diner’) als hoofdrolspelers. De lezer wordt deel van hun ervaringen, gedachten en levensbeschouwingen. De schrijvers hebben hun hoofdpersonen als het ware in hun eigen leven gezet en dat gefictionaliseerd. Dat wordt nog eens benadrukt door het decor waartegen het leeuwendeel van de Nederlandse romans zich afspelen: Amsterdam – niet voor niets de thuisbasis van de meeste Nederlandse romanciers.
Palmen voert in ’Lucifer’ allemaal kunstenaars op die in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit ’De Kring’ vooral erg druk zijn met elkaar. De dichter in ’Marte Jacobs’ piekert zich dwalend door de hoofdstad suf over zijn grote liefde. P.F. Thomése presteert het om zelfs een roman over een mannetjesmaker in de Nederlandse politiek (’Vladiwostok!’) te situeren in Amsterdam en niet in Den Haag. ’Het diner’ speelt zich af in een etablissement in de Amsterdamse Watergraafsmeer waarvoor het restaurant ’De Kas’ model heeft gestaan. Désanne van Brederode laat haar hoofdpersoon van ’Hart in hart’ in de Amsterdamse Pijp wonen en fietsen. Meijsings alter ego woont in een Amsterdams appartement; als ze een keer buiten komt valt ze dronken in een van de Amsterdamse grachten. Natuurlijk heb ik ook recente Nederlandse romans gelezen die niet in de hoofdstad spelen. ’De literaire kring’ van Marjolijn Februari geeft een kritische zedenschets van het beschermde leven van een elitaire gemeenschap in een kleine Nederlandse gemeente. Adriaan van Dis laat de hoofdpersoon van ’De wandelaar’ door zijn eigen woonplaats Parijs struinen, maar durft daarbij wel heel nadrukkelijk de schaduwzijden van zijn stad te laten zien. Het zijn meteen voorbeelden van romans waarin het engagement niet over hoofd kan worden gezien.
Tegelijk zijn het uitzonderingen. Nederlandse schrijvers vertellen graag over hun eigen leven, hun eigen omgeving, hun eigen soort mensen. Uit de romans blijkt dat de culturele elite zich veilig heeft verschanst in de binnenring van het vrijzinnige Amsterdam. Daar is het blijkbaar nog steeds goed toeven – ondanks de tijdelijke maar jarenlange sluiting van enkele topmusea en de moeizame bouw van een ondergrondse metro.
Moet deze elite in opstand komen? Ze zullen zelf niet weten waartegen. Hun kunstwerken – in ieder geval in de literatuur – laten weinig belangstelling zien voor het leven buiten de Amsterdamse binnenring.
Als gezegd: de aanleiding voor de oproep van Ter Horst – zelf trouwens ook bewoner van de Amsterdamse binnenstad – was de uitslag bij de Europese verkiezingen. Maar voordat de elite in opstand komt tegen de PVV-stemmers zal zij zich toch eerst moeten verdiepen in hun drijfveren en angsten. Let wel: begrijpen is iets anders dan ergens begrip voor hebben. Om te kunnen begrijpen wat hen beweegt, zou het helpen als ook Nederlandse schrijvers uit hun eigen biotoop zouden stappen.
Weg dus uit Amsterdam. Op naar wat in de hoofdstad enigszins meesmuilend ’de provincie’ heet. En daarvoor hoef je heus niet helemaal naar Venlo af te reizen. De gemeenten ten westen, noorden en oosten van Amsterdam hebben op 4 juni bijna allemaal hun stem aan het populisme gegeven. In onder meer Aalsmeer, Uithoorn, Haarlemmermeer, Zaanstad, Velsen, Uitgeest, Heemstede, Purmerend, Edam-Volendam en Almere werd de PVV de grootste. Wat houdt deze stemmers, zo dicht bij die enclave Amsterdam, eigenlijk bezig? Wat zijn hun zorgen? Wat inspireert hen?
De schrijvers kunnen ook de tram nemen naar de stadsdelen buiten de ring A10: Slotervaart, Osdorp, Geuzenveld-Slotermeer. Dagelijks zie je daar voor je ogen de dingen gebeuren waarover zoveel maatschappelijke onrust bestaat.
„Wij willen literatuur die in geen andere tijd moet zijn geschreven dan in de tijd waarin ze is geschreven”, stellen Harmens en Pfeijffer in hun manifest. Daaraan zou ik willen toevoegen: „Wij pleiten voor literatuur die zich in een andere stad afspeelt dan in de stad waarin ze is geschreven. Wij pleiten voor een moratorium van tien jaar op literatuur die zich afspeelt in Amsterdam.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.