*

 

Milde filmer van een harmonisch Nederland

Paul van der Steen − 19/09/09, 00:00

Sommige van zijn scènes zijn iconen van hun tijd. Bert Haanstra liet het graag voorkomen alsof hij maar wat deed. Maar hij had wel degelijk een eigen stijl.

Bert Haanstra had het in 1960 te druk met werken. Naar Los Angeles afreizen voor de Oscaruitreiking zat er even niet in. Terwijl hij toch genomineerd was met de korte documentaire ’Glas’. Zoon Rimko moest ’s morgens maar naar het radionieuws van acht uur luisteren. Dat deed deze, om even later ’Papa, je hebt een Oscar!’ naar de ouderlijke slaapkamer te roepen.

’Bert Haanstra, Filmer van Nederland’ heet de biografie die Hans Schoots schreef over een van de succesvolste cineasten van de vorige eeuw. Filmer van een Nederland dat inmiddels niet meer lijkt te bestaan. Een nuchter Nederland, getuige de hiervoor beschreven anekdote. Een oppassend Nederland, getuige de klassiek geworden omkleedcapriolen van preutse strandgasten in ’Alleman’ (1963). Een Nederland met vooruitgangsgeloof, gesymboliseerd door het schaatsertje dat even snel valt als weer opkrabbelt in dezelfde documentaire.

Wederopbouwfilmer is Bert Haanstra (1916-1997) wel genoemd. Schoots vindt die term niet passend: zijn hoofdpersoon heeft nooit een film over dat onderwerp gemaakt. Wel heeft hij bijzonder trefzeker de sfeer van herrijzend Nederland vastgelegd. Zoals sommige schilderijen de verbeelding van de Gouden Eeuw zijn geworden, zo hebben enkele van Haanstra’s scènes de potentie om te overleven als iconen van de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Het jongetje met watervrees dat worstelt maar komt bovendrijven uit ’De stem van het water’ (1966) staat nu nog bij velen op het netvlies.

Van zijn speelfilms zal misschien alleen ’Fanfare’ een plek in de cinematografische canon krijgen. Twee muziekgezelschappen uit hetzelfde dorp rivaliseren. Er gebeurt niks wereldschokkends, en dat is juist de kracht. Het eindigt in harmonie. Dezelfde harmonie die ook het werk van Haanstra kenmerkt.

Geboren en getogen in Overijssel leek hij aanvankelijk voorbestemd om zijn vader na te volgen, eerst als onderwijzer, later ook als kunstschilder. Maar fotografie en vooral film trokken harder. De cineast maakte zichzelf het vak eigen. Proefondervindelijk leerde hij. Spaarzaam nam hij wijze raad aan. Zoals die van Vsevolod Poedovkin na het winnen van de Grand Prix met ’Spiegel van Holland’ in 1951, zijn doorbraak. De Rus vond het een mooi werkstuk, maar films moesten over mensen gaan. Dat knoopte Haanstra in zijn oren.

Verder was hij een pragmatisch filmer, die zich gemakkelijk aanpaste aan de omstandigheden en het onderwerp. Met trends en getheoretiseer had hij weinig op. „Ik vind ook niet dat ik een eigen stijl heb”, zei hij zelf. Die had hij wel degelijk. Meesterlijke montage, oog voor schoonheid en details en een mengeling van lichte ironie en mededogen groeiden uit tot zijn handelsmerk. Ze waren tegelijkertijd voer voor de criticasters die het oeuvre vanaf de jaren zestig onder vuur namen.

Haanstra is een op zichzelf staande figuur in de filmgeschiedenis, zonder goed aanwijsbare voorgangers en zonder duidelijke navolgers. Schoots laat dat mooi zien en rekent en passant af met de mythe van de Hollandse documentaire school. Die bestaat niet, aldus de auteur. Schoots is in het boek beter op dreef als filmhistoricus dan als biograaf. De mens Haanstra had scherper naar voren kunnen komen. De mildheid van zijn films kenmerkte hem ook als persoon: rustig, bedachtzaam en zachtaardig.

Maar zeker tijdens zijn werk was er ook een andere kant. De obsessieve filmer Haanstra kon tot in het onredelijke veeleisend, ongeduldig en driftig zijn. Zijn toorn trof dan vooral de laagste in hiƫrarchie. De auteur meldt het, maar gaat het er niet al te diep op in. Hij had de handicap van een beperkte hoeveelheid schriftelijke bronnen. Nadat Haanstra in 1997 naar een verpleeghuis verhuisde, werkte zijn vrouw Nita zich door het papieren archief. Doorslaggevend criterium was: leuk voor de kinderen of niet? Luidde het antwoord nee, dan werden die stukken verscheurd. Schoots kon nog wel met veel mensen spreken, maar dat vergoedt niet alle gemis.

In zijn voorwoord hekelt de schrijver de onbegrensde adoratie van Jo Daems, zijn voorganger als biograaf. Schoots is niet kritiekloos. Maar ook bij hem zit de eerbied voor het onderwerp soms in de weg: met een onsje mildheid minder had hij dit levensverhaal meer reliƫf kunnen geven.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />