Hét recept om de volgende economische crisis te voorkomen, bestaat niet, betoogt de journalist Alan Beattie. Maar uit de geschiedenis zijn wel een paar vuistregels te halen waar helaas niet ieder land zich aan houdt.
De economische wetenschap heeft het afgelopen jaar een beroerde pers gehad. De huidige crisis, de ernstigste sinds de Grote Depressie van ruim zeventig jaar geleden, is aan de radar van de meeste economen ontsnapt en al bestaat er nu internationaal een consensus hoe de scherven opgeveegd moeten worden, het vertrouwen in hun wijsheid heeft een geweldige knauw gekregen. Britten spreken niet voor niets al dik een eeuw ironisch, zij het met een stevig serieuze ondertoon, van the dismal science (de naargeestige wetenschap).
Voor andere, nog cynischer waarnemers is het begrip wetenschap helemaal niet (meer) van toepassing op de economie. Economen zijn voor hen hooguit goed in het verzinnen van verklaringen als het kwaad al lang en breed is geschied. Behalve een enkele excentriekeling pleit niemand voor de opheffing van de diverse leerstoelen, maar er zijn sceptici die er niet rouwig om zouden zijn.
Valt er dan, behalve banaliteiten als ’niet boven je stand leven’, helemaal niets te leren van de ’naargeestige wetenschap’?
Toch wel, mag je constateren na lezing van Alan Beattie’s ’False Economy’, dat als ondertitel heeft ’een verrassende economische geschiedenis van de wereld’. Beleidsmakers kunnen heel wat opsteken van de fouten en blunders die hun collega’s in het verleden hebben gemaakt en helaas voor hun bevolking nog maken. In negen hoofdstukken en een conclusie legt Beattie, redacteur bij de gezaghebbende Financial Times, uit wat zij moeten doen en vooral, vermijden. Daarbij blijkt dat er geen universele succesformule bestaat - wat in het ene land werkt, werkt niet of averechts in een ander land met een andere geschiedenis en andere tradities - maar van een aantal maatregelen kun je niettemin vaststellen dat ze voor vrijwel elk land dat zich er aan heeft bezondigd slecht hebben uitgepakt. Protectionisme, het beschermen van de eigen industrie, landbouw etc. tegen buitenlandse concurrenten, is waarschijnlijk het beste voorbeeld van beleid dat behalve voor de belanghebbenden die ervan profiteren, slecht is voor de consument en de economische ontwikkeling.
Wat Beattie’s boek aantrekkelijk maakt, is dat hij economisch jargon zoveel mogelijk mijdt, geestige terzijdes niet schuwt en zijn betoog aan de hand van concrete voorbeelden, case-histories, ontvouwt. En een niet te overschatten plus voor de geïnteresseerde, maar economisch niet overdreven onderlegde lezer: er staat geen enkele grafiek in.
Niet alles wat Beattie aan de orde stelt, is even prikkelend. Dat kan ook niet op deze afgegraasde weide, maar wie wil weten waarom Argentinië afgezakt is van een land met vooruitzichten die ooit net zo rooskleurig waren als die van de VS tot een derde wereld-land, is bij hem aan het juiste adres. Waar de VS op economische kruispunten meestal de juiste weg insloegen, zegt Beattie, nam Argentinië bijna consequent de verkeerde afslag. De beleidsmakers in Buenos Aires kozen voor protectionisme in alle soorten en maten en lieten hun oren te zeer hangen naar vakbonden en andere belangengroepen.
Overtuigend zijn ook de passages over de ’vloek van de bodemschat’. Het lijkt een zegen, grote voorraden olie, gas, goud of andere grondstoffen te hebben, maar het blijkt maar al te vaak een rem op een evenwichtige (sociaal-)economische en politieke ontwikkeling. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is daar de term Dutch disease (Hollandse ziekte) voor bedacht. De ontdekking van de gasbel van Slochteren bleek een overdosis fortuin voor de Nederlandse economie. De gasexport dreef de gulden op, andere producten werden daardoor te duur voor hun buitenlandse afnemers, de werkloosheid nam toe en, versterkt door falend beleid, werd Nederland de ’zieke man van Europa’. Het kostte ons jaren er weer bovenop te komen.
Het kan ook anders, aldus Beattie. Botswana zwemt in de diamanten, maar door een uitgekiend beleid – de opbrengst van de diamanten wordt niet verbrast maar gaat naar een investeringsfonds – is die rijkdom een zegen geworden. Botswana is ook daardoor een unicum in Afrika, een stabiele democratie. In een ander diamantrijk Afrikaans land, Siera Leone, vechten allerlei ongure binnen- en buitenlandse elementen om de schat en is het ondanks die potentiële rijkdom een van de armste landen ter wereld.
We weten allemaal dat corruptie de pest is voor een economie van een (ontwikkelings)land. Het is slecht voor de economische groei. Het is in strijd met elke ethiek. Het beloont figuren die niet beloont dienen te worden, maakt zakenlieden medeplichtig aan wat in de meeste westerse landen als een misdrijf wordt beschouwd en heeft het risico in zich dat er een sluipende normvervaging optreedt. Het schokken van smeergeld wordt omwille van de spreekwoordelijke miljardenorder en zijn zegenrijke gevolgen voor de werkgelegenheid door de vingers gezien, want ’als wij het niet doen, doet de concurrentie het wel’.
Ook Beattie erkent dat daar in zijn algemeenheid weinig tegenin valt te brengen. Maar, zegt hij, je hebt corruptie en corruptie. Van tirannen als Robert Mugabe, de president van Zimbabwe, valt inderdaad niets positiefs te melden. Mugabe heeft zijn land, want zo ziet hij het, als zijn eigen privédomein volledig leeggezogen.
Maar op zich hoeft zelfs een diepgewortelde smeergeldcultuur economische vooruitgang niet in de weg te staan. Indonesië was onder de voormalige president Soeharto eveneens een schoolvoorbeeld van corruptie. De president, zijn familie en zijn trawanten streken bij vrijwel elke transactie een aardig percentage op. In de jaren zeventig van de afgelopen eeuw waarschuwde de president van de Wereldbank dat ’corruptie de welvaart van het land bedreigde’. En ruim dertig jaar later bezocht zijn opvolger Jakarta met dezelfde boodschap.
Niettemin had het land sinds de eerste gele kaart een grote sprong voorwaarts gemaakt en was het van een ’hopeloos arm een redelijk welvarend land’ geworden. Hetzelfde geldt voor een land als Zuid-Korea dat nog hoger op de ladder heeft weten te klimmen. Ook daar was corruptie tot voor kort een poliep die zich in alle geledingen had vastgezet, in de politiek, de bureaucratie en het zakenleven. En ook daar heeft het de economische groei niet ernstig geschaad. Dat was mogelijk omdat het beleid net als in Indonesië verder redelijk goed was. De corruptie was/is hinderlijk, maar niet doorslaggevend. Je kunt het het beste beschouwen als een ’vorm van belasting’, aldus Beattie. Maar de vraag blijft natuurlijk gerechtvaardigd of de groei zonder corruptie niet nog groter zou zijn geweest.
In misschien het interessantste hoofdstuk waarschuwt Beattie de rol van religie in de economie niet te overdrijven. Honderd jaar geleden bedacht de Duitse socioloog Max Weber dat het protestantisme meer dan het katholicisme heeft bijgedragen aan de opkomst van het kapitalisme. Het was een stelling die veel furore maakte, en nog wel wordt aangehangen, hoewel ze geen stand bleek te houden tegenover de feiten. In het kielzog van Weber was het een tijdlang mode om de plaats van moslimlanden in de economische bezemwagen toe te schrijven aan de islam. Te kort door de bocht, zegt Beattie. Er zijn ook islamitische landen zoals Indonesië en Maleisië die economisch grote vooruitgang hebben geboekt, terwijl de katholieke Filippijnen ver zijn teruggevallen.
Dat is onmiskenbaar de boodschap van Beattie’s boek. De verscheidenheid in achtergrond en ontwikkeling van landen is zo groot, dat je geen gedetailleerd recept kunt voorschrijven. Kijk naar wat werkt, vrijhandel, solide financieel en monetair beleid, investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur en vermijd wat rampzalig is gebleken, protectionisme, te grote overheidsbemoeienis, teveel macht aan belangengroepen. Dat is al moeilijk genoeg, ook voor economen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.