*

 

Even hels als Verdun

Paul van der Steen − 22/08/09, 00:00

De tragiek van het zuidelijkste front van de Eerste Wereldoorlog is het stiefkind van de geschiedschrijving van het conflict. De Britse historicus Mark Thompson zet die omissie recht

  • De Italiaanse soldaten waren totaal niet voorbereid op hun taak. (Trouw)
  • Italiaanse cavalerie bij het oversteken van de Monticiano, 1918. (Trouw)

Na lang aarzelen gingen de Italianen in 1915 meedoen aan de Eerste Wereldoorlog: aan de zijde van de Geallieerden, al had Rome aanvankelijk een alliantie met de Centralen, met Berlijn en Wenen. Maar de Geallieerden hadden belang bij een derde front en paaiden hun nieuwe bondgenoot met de belofte van een forse gebiedsuitbreiding: Zuid-Tirol, Triëst, maar ook grote delen van het latere Joegoslavië.

De faam van het Italiaanse leger was ondertussen niet erg groot. In 1887 en 1896 had het smadelijke nederlagen geleden in Ethiopië en de bezetting van Libië in 1911 leek nogal zinloos. Bismarck had al eens opgemerkt dat Italië ’een grote eetlust, maar slechte tanden’ had. De Britse premier Asquith betitelde zijn nieuwe bondgenoot als ’die uitzonderlijk vraatzuchtige, onbetrouwbare en perfide mogendheid’. Zijn minister van Marine, Winston Churchill, had het over ’de hoer van Europa’. Admiraal Fisher van hetzelfde Britse krijgsmachtonderdeel vond dat het Italiaanse volk uit ’louter orgeldraaiers’ bestond. „Je hebt er niks aan.” Nog maar enkele jaren geleden klaagden twee vooraanstaande Italiaanse historici dat „aan de andere kant van de Alpen onze hele oorlog wordt bezien met de lichtelijk racistische oppervlakkigheid die wij zelf reserveren voor Turken en Bulgaren.”

Dat verwijt kan hun Britse collega Mark Thompson onmogelijk gemaakt worden. Zijn ’De witte oorlog. Het Italiaanse front 1915-1919’ is een doorwrocht, compleet en genuanceerd overzicht van het ietwat vergeten derde front van de Eerste Wereldoorlog. De auteur heeft oog voor de militaire, politieke en culturele aspecten van het conflict. Maar – excuses aan de genoemde Italiaanse historici – zelfs na zo'n studie stemt het totaalbeeld niet vrolijk.

Rome stuurde een slecht getraind en slecht uitgerust leger ten aanval. Tot overmaat van ramp waren ook de hoogste officieren incapabel en buitengewoon wreed. De latere romanschrijver John dos Passos werkte als vrijwilliger van het Rode Kruis aan het zuidelijke front van de Grote Oorlog en wond zich in zijn geschriften op over de minachting van Italiaanse officieren voor lagere rangen: hun „arrogante onbeschoftheid tegenover eenieder wiens hielen ze niet likken is walgelijk”. Een Italiaanse generaal noemde de massale afslachting van zijn eigen infanteristen ’een noodzakelijke holocaust’. Het bloedbad zou een genezende, zuiverende kracht hebben, die het leger sterker maakte voor komende veldslagen, prepareerde voor de overwinning. Een klein protest tegen het intrekken van verloven kon zomaar bestraft worden met executie. Een soldaat kreeg de kogel, omdat hij salueerde zonder zijn pijp uit de mond te nemen. In sommige gevallen werden medestrijders die gezondigd hadden tegen de regels van de tucht vastgebonden achtergelaten tegenover vijandelijke stellingen. „Om kogels uit te sparen”, luidde de verklaring van een generaal.

De Italiaanse staat heeft tot op de dag van vandaag moeite met het erkennen van de gebeurtenissen. De nazaat van een onterecht geëxecuteerde korporaal diende in 1990 een gratieverzoek voor zijn voorvader in. Het gerechtshof verklaarde hem niet-ontvankelijk, omdat het verzoek niet was ingediend door de belanghebbende partij (lees: de doodgeschoten korporaal). Een parlementslid kwam iets later met een voorstel tot wetswijziging om ook nazaten in de gelegenheid te stellen een gratieverzoek in te stellen. Hij heeft het nog steeds niet voor elkaar. De politieke en ambtelijke molens zijn nog draaiende.

Het vleesgeworden voorbeeld van de zelfgenoegzaamheid van het Italiaanse officierskorps was de hoogste militair Luigi Cadorna. Als aristocraat voelde hij zich ver verheven boven zijn voetvolk. Hij mocht zijn strategische gaven graag vergelijken met die van Napoleon. Jaren voor Mussolini werd Cadorna al uitgeroepen tot duce (leider). Want gek genoeg genoot hij lange tijd een grote status in de publieke opinie. Zelfs blunders werden uitgelegd als overwinningen. Het volk hunkerde nu eenmaal naar goed nieuws.

De werkelijkheid was een krankzinnige oorlog waar lang nauwelijks terreinwinst werd geboekt. Het front zat nog vaster dan in Noord-Frankrijk en België. De omstandigheden waren nog helser. Italië en het Habsburgse Rijk bevochten elkaar in een berglandschap, waar zware regenval militairen veranderde in wandelende modderklompen en de recordstrenge winter van 1916-1917 temperaturen tot ver onder de min veertig graden opleverde. Er waren dodelijke aardverschuivingen en de Oostenrijks-Hongaarse troepen bekogelden hun vijand daar bovenop met rotsblokken. Het keizerrijk had in de meeste gevallen het voordeel dat de tegenstander bergop moest vechten. Dat vergemakkelijkte de verdediging. Voor de Habsburgers was het in veel gevallen prijsschieten. Met 689.000 gesneuvelden verloor Italië verhoudingsgewijs meer militairen dan Groot-Brittannië.

Pas aan het einde van de oorlog forceerden de Oostenrijkers met behulp van de Duitsers een doorbraak, die hen bijna tot aan Venetië bracht. Kort daarna sloegen de Italianen terug en dwongen ze het keizerrijk tot een wapenstilstand. Een grapje uit die jaren geeft gemengde emoties weer: „Hebben we net geleerd hoe we moeten vechten, is de oorlog afgelopen!”

Thompson maakt inzichtelijk hoe geslepen types als de dichter-avonturier Gabrielle d'Annunzio en de volksmenner Benito Mussolini gebruik maakten van dat soort sentimenten. De gemythologiseerde versie van de oorlog voorzag de fascisten van de sacrale geschiedenis die hun nationalistische verhaal goed kon gebruiken. De zwarthemden presenteerden zich als ultieme remedie tegen de frustratie. Verbittering, verraad en verlies, veroorzaakt door ’slappelingen’ in eigen land en door de voormalige bondgenoten die hun toezeggingen van voor de oorlog maar ten dele nakwamen, konden worden weggepoetst door een sterke man en een dito staat.

mailIcon print |