Het oude, vruchtbare land tussen Eufraat en Tigris verdroogt, door afdamming van de rivieren en gebrek aan regen. In Syrië slaan wanhopige boeren op de vlucht. Deel 1 van een tweeluik.
„Mijn land is volledig opgedroogd”, zegt Aboe Abdallah verslagen, omringd door de helft van zijn vijftien kinderen in de tent die dienst doet als woonkamer. Een half jaar geleden mislukte zijn oogst en is hij met zijn familie vanuit de noordelijke provincie Rakka naar het zuiden getrokken, om dan maar op het land van anderen te gaan werken.
Nu brengen ze hun dagen door op een stoffig veldje langs de snelweg. Als er werk is, plukken ze tomaten bij een boer verderop. Dat levert ze honderd Syrische ponden per dag op – 1,5 euro. Ze kunnen er nauwelijks van overleven, maar thuis is er niets meer voor ze.
In Syrië dreigt zich een humanitaire ramp van formaat te ontvouwen. In het noordoosten, de graanschuur van het land, valt voor het derde opeenvolgende jaar nauwelijks regen. Veertig procent van de oogst is mislukt. Zo’n 150.000 boeren zien hun inkomen verdwijnen. Kleine en middelgrote veehouders zijn 80 procent van hun vee kwijt, gestorven door gebrek aan voedsel en grasland.
Het wegvallen van hun levensonderhoud, in combinatie met snel stijgende voedsel- en brandstofprijzen, dwingt mensen hun spullen te verkopen en de kinderen aan het werk te zetten. Nu, na drie jaar, hebben vele honderdduizenden van hen alle reserves uitgeput, en zijn vertrokken.
Aanvankelijk trokken deze mensen vooral naar stedelijke centra in het noorden en oosten, maar de laatste maanden breidt de migratiegolf zich uit naar andere delen van het land. Zoals naar de zuidelijke Hawran-regio, een vruchtbaar landbouwgebied aan de voet van de Golanhoogte.
Hier hopen landarbeiders wat te kunnen verdienen als dagloner. Maar het werk is schaars en het aanbod aan goedkope krachten overweldigend. „Mijn hele dorp zit hier”, zegt Mohammed, een graanverbouwer uit Boeseira, een klein plaatsje in het oosten. „Drie jaar geleden waren er twintig families, vorig jaar vijftig, en dit jaar zijn het er vijfhonderd.” Precieze cijfers zijn er nog niet, maar wie de snelweg verlaat om het spoor van tenten te volgen, treft tientallen kleine en een paar grote kampen – twintig tot tweehonderd personen – op een gebied van pakweg vijf bij tien kilometer, stuk voor stuk met bewoners uit de noordelijke provincies. Dat komt neer op een paar duizend mensen, wat doet vermoeden dat de zuidelijke regio als geheel inmiddels tienduizenden ontheemden herbergt.
De mannen migreren vaak al een paar jaar als landarbeider in de zomer, maar de hardnekkigheid van de droogte leidt ertoe dat ze tegenwoordig ook overwinteren in het zuiden, en inmiddels beginnen ook hun families zich bij hen te voegen. In de verzengende Syrische zomerhitte hebben ze hun armoedige tenten opgezet. Er is geen water, geen stroom, geen sanitair, en geen hulp.
Die hulp ontbreekt deels omdat het een vrij nieuw fenomeen is, deels omdat de Syrische overheid wil dat deze mensen teruggaan naar het noorden: tienduizenden dagloners kunnen de economische situatie in het zuiden ernstig verstoren.
Het probleem is dat er niets is om naar terug te keren, legt Aboe Abdallah uit. „Het land geeft ons niets meer.” Toch is hij benieuwd naar nieuws over de situatie in het noorden. Want de armoede vreet aan hem. „Voor de regen stopte, kwam het gras zó hoog”, zegt hij, terwijl hij opspringt om zijn hand bij zijn middel te houden. „We hadden het goed, ik zorgde voor mijn gezin. Nu ben ik een verschoppeling. Mensen kijken met afschuw naar me. Dit leven.. het heeft me mijn waardigheid gekost.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.