Turken en Marokkanen die de Nederlandse taal leren, zetten dezelfde stappen op weg naar de juiste zinsopbouw. Hoe ’ik niet begrijpen’ verandert in ’ik begrijp het niet’.
Het leren van een tweede taal is voor volwassenen niet eenvoudig. Nieuwe klanken, vreemde woorden, een onbekende grammatica: op alle fronten is het worstelen.
Vooral grammatica is een crime, weet Josje Verhagen, taalwetenschapper aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Woordjes kun je nog vrij goed stampen, maar grammatica laat zich nauwelijks sturen. Er is vaak een vaste verwervingsvolgorde. Pas als je stap één beheerst, kun je door naar stap twee.”
Dat geldt ook voor het aanleren van de juiste plaats van werkwoorden in de zin. Verhagen deed er onderzoek naar bij tweehonderd volwassen Turken en Marokkanen. Die leerden Nederlands in het kader van een inburgeringscursus in Amsterdam. Komende week promoveert ze op haar bevindingen.
Wat opviel, was dat Turken en Marokkanen precies dezelfde stappen doorliepen, ondanks de verschillen in hun moedertaal. Allemaal plaatsten ze het hoofdwerkwoord aanvankelijk achteraan de zin, in een onvervoegde vorm. Dat leverde typische allochtonentaal op, à la: ’Ik niets verstaan’.
Na verloop van tijd haalden ze het hulpwerkwoord ’hebben’ erbij: ’Ik heb niets verstaan’. Pas daarna kwamen de cursisten toe aan de formulering: ’Ik versta niets’.
De snelheid waarmee mensen deze fases doorlopen, verschilt sterk per persoon. Veel hangt af van motivatie, leeftijd en opleidingsniveau. Maar ook de kwaliteit van de instructies speelt een rol, evenals de vraag of iemand vaak of bijna nooit Nederlands spreekt. Veel oefenen dus, luidt het devies.
Sommige kandidaten gingen razendsnel, terwijl anderen vrijwel niet vooruit kwamen. „Het kan heel lang duren”, zegt Verhagen. „Sommige mensen hingen al 25 jaar in de eerste fase. Dan is het moeilijk om er vertrouwen in te hebben dat het ooit nog beter zal gaan.”
De magische doorbraak blijkt de verwerving van het vermogen om het hulpwerkwoord ’hebben’ te gebruiken. „Het is net alsof mensen een knop indrukken”, zegt de promovenda. „Als ze eenmaal ’hebben’ gebruiken, zetten ze het altijd op de goede plaats en passen ze meteen de juiste vervoeging toe.”
Pas daarna vallen geleidelijk ook andere werkwoorden op hun plaats. Kennelijk moet eerst het kwartje van de vervoeging en de plaatsing vallen, aan de hand van het betekenisarme hulpwerkwoord ’hebben’, voordat de taalgebruikers de truc ook met geladen werkwoorden als ’lopen’ en ’fietsen’ kunnen uithalen.
„In het onderwijs zou je daar rekening mee kunnen houden”, oppert Verhagen. „Door te hameren op ’hebben’, kun je mensen misschien wel sneller de volgende fase in trekken.”
Opmerkelijk was verder dat Marokkanen de stadia iets sneller doorliepen dan Turken. De promovenda verklaart dit uit het feit dat Marokkaans –qua werkwoordplaatsing– meer op Nederlands lijkt dan Turks. Marokkanen weten daardoor beter waar ze een werkwoord kunnen verwachten. Zo pikken ze het Nederlandse systeem sneller op. „Turken blijven werkwoorden opvallend lang achteraan zetten. In het Turks is de zin ’Ik boekje lezen’ dan ook correct.”
Het grappige was dat cursisten ongrammaticale zinnen in het begin beter begrepen dan grammaticale. ’Hij altijd schreeuwen’ ging er beter in dan ’Hij schreeuwt altijd’. En als ze de zin ’De minister praat niet over het probleem’ moesten herhalen, veranderden ze die in ’De minister niet over het probleem praten’.
Toch raadt de promovenda docenten af om in die fouten mee te gaan. „Als je mensen bewust verkeerde dingen aanleert, sla je een verkeerde weg in.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.