Deze maand wordt gevierd dat vierhonderd jaar geleden een VOC-schip Manhattan ontdekte. Ter gelegenheid daarvan verschijnt de Nederlandse vertaling van ’John Adams’, een prachtige biografie van de tweede president van de VS en de eerste Amerikaanse ambassadeur in Den Haag. Misschien een saaie man en niet altijd even fijnbesnaard, maar wel een groot politicus, schrijft David McCullough.
John Adams, eerste gezant van de Verenigde Staten in de Nederlanden, had het prototype kunnen zijn van een Amerikaan in Europa. Toen hij daar in 1778 aankwam, twee jaar nadat de dertien koloniën zich onafhankelijk hadden verklaard van Groot-Brittannië, was de 42-jarige boer annex advocaat en leider van de Amerikaanse revolutie nog nooit verder geweest dan Philadelphia. Hij was gelovig, ongekunsteld en openhartig, en had geen ervaring als diplomaat. Een vriend merkte op dat hij zich niet wist te kleden, niet kon dansen en niet fijnbesnaard was. „Hij is gelet op zijn aanleg of opleiding niet geschikt om aan het hof te schitteren.”
De Europeanen vonden hem weinig verfijnd. Hij, typisch Amerikaans, vond hen glad en huichelachtig. Hij hield van de Europese cultuur, vooral het theater, maar klaagde dat de Engelsen koeltjes waren, de Nederlanders zuinig en dat de Fransen zich niet wasten. Als hij en zijn vrouw Abigail nu hadden geleefd, zie je ze bij wijze van spreken op de Dam staan, op witte gympen en met een plattegrond in de hand.
John Adams was een van de grootste patriotten van Amerika, gepassioneerd voorvechter van de revolutie, een van de architecten van de onafhankelijkheidsverklaring. Hij was Amerika’s eerste vicepresident en tweede president. Maar van alle ‘Founding Fathers’, de grondleggers van de Verenigde Staten, is hij altijd gezien als de saaiste. De idealistische, hard werkende en monogame Adams steekt bleekjes af bij de andere grote figuren van de Amerikaanse Revolutie: de lange, aristocratische oorlogsheld George Washington, de verlichte intellectueel Thomas Jefferson, uitvinder en vrijdenker Ben Franklin. Er bestaan geen gedichten of legendarische verhalen over hem, zijn portret heeft nooit een munt of bankbiljet gesierd.
De historicus David McCullough heeft in zijn bestseller ’John Adams’ de man niet alleen herontdekt, maar voert hem ook op als een politicus voor onze tijd. Amerikanen zien zichzelf per slot van rekening graag als Adams: direct, praktisch, zich niet te veel bekommerend om uiterlijkheden. Bovendien: wat biedt meer vertroosting voor de achter ons liggende Clinton- en Bush-jaren dan een door en door integere man als Adams, die nooit gelogen heeft, een affaire heeft gehad of anderszins een misstap heeft begaan.
McCullough is de schrijver van verscheidene geschiedenisboeken van het type ‘verjaardagscadeau voor vader’, waaronder biografieën van Theodore Roosevelt en Harry Truman. Hij schrijft uiterst leesbaar, en heeft in Adams niet alleen een groot staatsman, maar ook een onverwacht spannend onderwerp gevonden. Het boek opent met twee eenzame ruiters in de sneeuw en gaat verder in die stijl, waarbij de schrijver zijn voordeel doet met de avonturen die dat tijdperk te bieden had: hij voert veldslagen op, stormen op zee, en heftige debatten in het ‘Continental Congress’, de vergadering van de dertien koloniën. Daar sprak Adams, zo herinnerde Jefferson zich later, „met een geestkracht en expressiviteit die ons deden opspringen van onze zetels”.
Adams werd geboren in 1735 in Braintree, Massachusetts, een dorp onder de rook van Boston. Zijn familie woonde toen al honderd jaar in Amerika; hij voelde zich sterk verbonden met zijn Puriteinse voorouders. (Later, in Nederland, was hij tot tranen geroerd bij het zien van de kerk van de Pilgrim Fathers in Leiden.) Hij was een ambitieuze jonge advocaat met een grondige kennis van de filosofie en het politieke denken uit de Griekse, Romeinse, Franse en Engelse traditie. Die achtergrond zou hem van pas komen bij het opstellen van de grondwet van de pas gevormde staat Massachusetts, die model stond voor de latere grondwet van de Verenigde Staten.
De jonge Adams, idealistisch en niet geheel gespeend van ijdelheid, zag de advocatuur als een manier om zijn hooggestemde dromen te vervullen: „het bijstaan van de zwakken en eenzamen, het veroordelen van de hooghartigen en losbandigen, het herstellen van misstanden, het bevorderen van het goede, het opkomen voor en verdedigen van vrijheid en deugdzaamheid, het ontmoedigen en afschaffen van tirannie en ondeugd.”
Hij koesterde eveneens een liefde voor literatuur, die hij kon uitleven in zijn dagboeken en zijn vele brieven. Alleen hierdoor al is hij een dankbaar onderwerp voor een biograaf: Adams’ kleurloosheid wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn toegankelijkheid. Hij schreef openhartige, innemende brieven aan allerlei vrienden en collega’s; en enigszins schoolmeesterachtige, vol goede raadgevingen, aan zijn vier kinderen, onder wie zijn oudste zoon John Quincy, die later de zesde president van de VS zou worden.
Het meest schreef hij aan zijn vrouw. Abigail Adams is zelf al een opmerkelijk figuur, een soort Hillary of Michelle avant la lettre; John bleef zijn hele leven van haar houden. Als hij van huis was voor zijn politieke werk, soms maanden of jaren achtereen, bestierde zij de boerderij, volgde de vrijheidsoorlog tegen de Britten op de voet, en onderhield haar eigen correspondentie met Adams’ politieke collega’s. Wanneer zij samen waren, was zij zijn belangrijkste politieke adviseur.
Zijn gezin was belangrijk voor Adams, en toen hij in 1780 naar Nederland kwam, nam hij zijn oudste zoons van dertien en elf mee. Dat pakte niet helemaal goed uit: terwijl John Quincy genoot van zijn bestaan als diplomatenzoon, had Charles last van heimwee, of misschien had hij het gevoel dat hij niet kon voldoen aan de hoge verwachtingen die zijn ouders van hem hadden. (Hij dronk zichzelf uiteindelijk op zijn dertigste dood.) Adams verbleef twee jaar in Nederland, waar hij de Staten-Generaal probeerde over te halen om de Verenigde Staten te erkennen.
Hoewel hij de praktisch ingestelde Nederlanders meer kon waarderen dan de Fransen of de Engelsen, was het een lang en frustrerend proces om hen aan zijn kant te krijgen. De Nederlanders smokkelden wapens naar de opstandige koloniën, maar waren huiverig voor oorlog met Engeland (die er in 1780 desondanks kwam). Adams slaagde pas in zijn missie na de capitulatie van het Britse leger bij Yorktown in 1781. Hij heeft nooit geweten of dat te danken was aan zijn inspanningen of aan de Britse nederlaag, maar de erkenning, plus grote leningen van Nederlandse banken, veranderde de loop van de geschiedenis. Aan een vriend schreef hij: „Gode zij dank dat Hij me halsstarrig laat zijn als ik weet dat ik gelijk heb.”
Als president (1797-1801) was hij minder succesvol. Bij zijn terugkomst in Amerika werd hij gezien als ’gecorrumpeerd’ door Europa, vooral in zijn verlangen naar een sterke centrale regering – hij had immers met eigen ogen gezien hoe inefficiënt de gedecentraliseerde Staten-Generaal werkte. McCullough roemt zijn politieke oordeelsvermogen: Adams had als eerste door dat de Franse Revolutie zou ontsporen. Tijdens zijn presidentschap slaagde hij erin oorlog met Frankrijk af te wenden; hij zag op tijd in dat het met de Franse dreiging wel meeviel. Maar hij werd niet herkozen; na zijn eerste termijn werd hij verslagen door de charismatische Thomas Jefferson.
De Adams die McCulloughs neerzet is een toegewijd dienaar van het volk, de man die schreef: „Onze verplichtingen jegens ons land eindigen pas met onze dood.” Zijn biograaf zit Adams dicht op de huid, slaat niet allerlei zijpaden in. Door niet telkens voor bespiegelingen of moeilijke vragen te pauzeren, houdt hij de vaart in het verhaal.
Het is een ouderwetse manier van geschiedschrijving, die zich meer concentreert op Grote Figuren dan op de mensen in hun schaduw. Maar dat McCullough zich bewust beperkt tot de figuur van John Adams en zijn moed, volharding en morele principes, maakt zijn prestatie niet minder indrukwekkend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.