*

 

Brutaal op de bres voor dieren

Wouter Bax − 27/04/09, 00:00

Ze nam de zorg op zich van tal van ’verstotelingen en verstekelingen’. Bij de Dierenambulance vond Truus Roemers haar roeping.

  • (Trouw)
  • (\N)

’Het was niet leuk.” Dat was alles wat Truus Roemers zei van de nare dingen die ze had gezien toen ze met de Dierenambulance terugkwam van de vuurwerkramp in Enschede. Ze had er rustig en efficiënt haar werk gedaan, maar het lag niet in haar aard haar ziel en zaligheid op tafel te gooien.

Samen met haar zoon Marcel had ze zich er daags na de ramp vanuit Groningen naartoe gespoed. Voor de menselijke slachtoffers was toen al lang gezorgd, maar voor vele dieren moest nog hulp komen. Sommige inwoners van omliggende geëvacueerde panden hadden hun huissleutel meegegeven, met de mededeling dat daar nog een dier zat. Bij andere huizen in het spookachtige rampgebied trapten Truus en haar zoon de deuren in om te kijken of er nog dieren in nood waren. Ze vingen huisdieren en brachten ze in veiligheid en hielpen met de berging van omgekomen dieren. In één huis was een radiator door de klap meters ver de kamer in geslingerd en net voor het aquarium geland.

Truus Roemers was gek op haar werk bij de Dierenambulance. Niet omdat ze nu zo opofferingsgezind was, maar wel omdat ze op de ambulance al haar talenten kon inzetten en ze hunkerde naar een uitdaging die bij haar paste. Zo zei ze het ook toen ze, na het overlijden van haar man Bert Roemers op 27 februari 1997, had besloten om zich als vrijwilliger aan te melden: „Wat wil ik nog? Dan ga ik dát doen.”

Misschien was het niet helemaal toevallig dat zij en Bert in 1958 trouwden op 4 oktober, Werelddierendag dus. In elk geval had ze het al met haar man over de Dierenambulance gehad en het gezin was het gewend om er extra zorgtaken bij te hebben. Als neefjes of nichtjes hulp nodig hadden, was het voor Truus volkomen normaal dat ze in haar gezin werden opgevangen. Ook zouden er in huis altijd dieren wonen, ’verstotelingen en verstekelingen’, bij Truus aangewaaid omdat ze verloren, gewond of verwaarloosd waren. Zo was er een kat, helemaal onder de vlooien, die zonder Truus’ ingrijpen door zijn eigenaar verzopen zou zijn. Of een roek die niet kon vliegen, een gestrande parkiet en een teckel, om er maar een paar te noemen.

Truus zorgde voor ze met overgave, maar niet zonder de praktische kanten uit het oog te verliezen. Haar efficiëntie en zakelijkheid dankte ze aan haar jeugd in de stad Groningen. Haar ouders dreven er de grote viswinkel Venema, de eerste in Nederland met een grote diepvriescel. Als ze niet op school zat, hielp Truus – de middelste van drie kinderen – in de winkel en deed ze later een deel van de boekhouding. Haar acht jaar oudere man ontmoette ze al toen ze zestien was. Haar ouders vonden het eerst maar niks, maar de twee zetten door. In 1964 werd Sandra geboren, in 1972 volgde Marcel.

Geboren als ze was in de Groninger binnenstad was ze, wat Groningers noemen, een ’stadjer’. Maar eigenlijk had ze meer een plattelandsmentaliteit. Op de school van haar kinderen hielp ze mee aan alle activiteiten behalve lesgeven. In die tijd ontdekte ze ook een gat in de markt voor haar deur in de Groningse wijk Vinkhuizen: een buurtsnoepwinkeltje. Zo’n tien jaar lang zwaaide op gezette tijden de voordeur open en verscheen er in de hal een voortdurend groeiend assortiment van ijsjes, ijstaarten en vooral ouderwets snoepgoed, zoals duindrop, schuimblokken en zoethout. Haar eigen kinderen, die zo wel in het paradijs leken op te groeien, genas ze van hun begeerte door ze eens onbeperkt te laten snoepen uit de vrieskist met ijsjes. Na die ene keer hoefden ze niet zo nodig meer.

Ze wilde wat om handen hebben, zo verklaarde ze haar initiatief voor de winkel, en zo zou het altijd zijn. In 1997 werd ze bij de Dierenambulance Groningen aangenomen als medewerkster, doorstond ze haar proeftijd met glans en volgde ze als oudste van de groep de Sophia-vakopleiding, een cursus EHBO voor dieren. Ze leerde er honden en katten te reanimeren en te beademen en gewonde dieren te ’stabiliseren’ zodat hun toestand niet erger wordt en ze kunnen worden vervoerd. Ze leerde er ook de symptomen van tal van heel specifieke aandoeningen, zoals de draaikopziekte bij duiven, botulisme bij eenden of ’parvo’ bij honden.

Vanaf dat moment was ze aan de Dierenambulance verslingerd. Hoewel het vrijwilligerswerk was, draaide ze er diensten die vergelijkbaar waren met een voltijds baan. Met nachtdiensten verbleef ze in het grote pand van de Dierenambulance in Groningen. ’s Winters kun je er wel eens een paar uur slapen, maar ’s zomers – als er meer mensen en dieren op pad zijn en gevaar lopen – moest ze bijna altijd wel uitrukken. Ze ving honden omdat de politie het niet durfde, hielp een koe met kalveren omdat de boer nergens te bekennen was, redde dieren bij verkeersongelukken. Dit omdat alle aandacht daar natuurlijk eerst naar de menselijke slachtoffers uitgaat. Ze borg lijkjes van omgekomen dieren, zoals na een aanrijding of een brand. Ze was ook getuige van een bijna ontelbaar aantal gevallen van verwaarlozing of mishandeling. Sommige mensen nemen een dier zonder zich te realiseren dat ze de verzorging helemaal niet kunnen betalen, anderen botvieren hun sadistische neigingen op een dier.

Tenger en klein maar zeer eigenwijs en gezegend met een brutaal hoofd, stapte Truus recht op de dieren en hun eigenaren af. Een losgebroken kudde jonge stieren kwam tot stilstand toen zij er pontificaal met gespreide armen voor ging staan. Een katje in paniek dat vastzat onder de motorkap van een auto bezorgde haar flinke schrammen op haar handen, maar ze liet het niet los tot ze het had bevrijd. Slechts één keer keerde een dier zich tegen haar: een enorme Anatolische herder die haar meters mee sleurde. Haar arm was beurs en werd helemaal zwart, maar ze accepteerde het. Ze begreep best waarom de hond was doorgedraaid.

Zo was het met mensen ook: het maakte niet uit wat iemands achtergrond, ras of kleur was. Truus aanvaardde het en deed geen enkele moeite om iemand te veranderen. Ze was ook gewoon geen prater. Met haar zoon Marcel, een rij-instructeur die op haar verzoek ’tijdelijk’ het tekort aan chauffeurs opvulde en uiteindelijk heel lang zou blijven, draaide ze talloze diensten. Maar ’dienst is dienst en thuis is thuis’, was haar regel: wat ze op de ambulance meemaakten, kwam thuis nooit ter sprake, en omgekeerd. De mensen in haar omgeving moesten haar emoties tussen de regels door lezen.

In de afgelopen jaren had Truus Roemers de leiding over de zogenoemde crematiedienst van de Dierenambulance Groningen. Worden er dode dieren gevonden, dan belanden ze in een koelcel en worden de eigenaren opgespoord. Ook de dieren die bij een dierenarts moeten worden ingeslapen gaan eerst naar het pand van de Dierenambulance. Truus bezocht dan de eigenaren en trok alle tijd uit voor troostende woorden en het regelen van praktische zaken. Of het dier gecremeerd of begraven moest worden, bijvoorbeeld, en twee keer in de week reed ze met de crematieauto naar het Dierencrematorium in Delfzijl. De as ging dan mee terug naar Groningen, waar de eigenaar het kon ophalen.

Haar organisatorische gaven zette Truus ook in om de jaarlijkse collecte voor de Dierenambulance te regelen. Een stratenplan maken, collectebussen regelen, collectanten op pad sturen, het geld tellen en zorgen voor een presentje achteraf. Maar heel plots zakte ze thuis in elkaar. Haar zoon probeerde haar nog te reanimeren, maar vermoedelijk werden een herseninfarct en een hartstilstand haar fataal. Voor haar nabestaanden is het een troost dat ze middenin een actief leven overleed. Want ’achter de geraniums’, dat zag ze echt helemaal niet zitten.

mailIcon print |