Ze maakte van Naschrift een opvallende rubriek in Trouw: de mensen kwamen ’weer even tot leven’. Tot Esther Hageman ging fietsen in de VS.
Begin jaren zestig van de vorige eeuw, ruim voordat Esther Hageman de leerplichtige leeftijd had bereikt, trok ze al eens een leren tas uit een kast. Ze deed de riem over haar twee blonde vlechtjes en kondigde aan: ’Ik ga naar school’. Ze maakte een rondje door de buurt en bevestigde bij thuiskomst dat ze inderdaad al flink wat lessen had gevolgd.
Haar lust om er opuit te trekken en haar houding van ’ik bepaal zelf wel wat goed voor me is’ werden Hageman al bijgebracht in de Haagse Weissenbruchstraat, waar ze eind jaren vijftig werd geboren. Als jongste van vijf kinderen: eerst zus Jeanne, dan de broers Pim, Dick en Cas; en dan Esther. Ofwel ’Es’, zoals ze haar hele leven genoemd zou worden.
Vader Dirk was leraar Nederlands op de mulo en actief CHU-lid. Moeder Willemina had hij ontmoet op het Malieveld in de tijd dat zij een betrekking had als kokkin in een huisartsengezin.
Dirk kwam uit een van oorsprong Haagse familie – hoewel hij opgroeide in het Friese IJlst waar zijn vader als schoolhoofd was benoemd. In het gezin van Dirk speelde de Hervormde Kerk een grote rol. De wortels van moeder Willemina lagen behalve in Brabant ook in het socialisme: mensen moesten beseffen hoe moeilijk de gewone man het in de crisis voor de oorlog had gehad. Als vader Dirk al eens dreigde door te draven met zijn geloof, stond moeder in de weg.
Willemina – kortweg Mien – had nog een andere sterke invloed: mensen buiten het gezin die het (even) moeilijk hadden, waren altijd welkom aan tafel. En dat wilden de mensen wel, want Mien had haar voor-huwelijkse werk als kok succesvol voortgezet en zou dat later ook overdragen op haar beide dochters.
Dirk was ook thuis een beetje leraar Nederlands. De kinderen werden gecorrigeerd als ze een taalfout maakten of niet hun mooiste handschrift lieten zien. Iedereen sprak het keurige, licht deftige Haags dat Esther haar hele leven zou laten horen.
Muziek was cruciaal: Dirk gaf al snel toe dat zijn harmonium verruild moest worden voor een piano. En hoewel hij elke maandag de radio afstemde op NCRV-organist Piet van Egmond bleef zijn protest als de kinderen op zaterdag jazzpionier Michiel de Ruyter kozen – ’niet zo hard jongens’ – bescheiden.
Toen Esther Hageman ouder werd had ze overal papieren liggen waarop ze in haar ogen belangrijke zaken had genoteerd. Feiten, beelden, maar ook verbanden tussen dat alles, want zoals ze ook al op jonge leeftijd had verklaard: „Ik heb achterogen waarmee ik van alles zie.” Toen zag ze al overal verhalen – ze kon later moeiteloos een lunchpauze lang origineel vertellen, of het nu om een boek ging dat ze gelezen had of een avontuur dat ze beleefd had in een winkel.
In 1967 bleek vader Dirk te lijden aan een agressieve ziekte. Na een paar maanden moest Jeanne op een nacht naar boven om te vertellen: „Pa is dood. Nu moeten we voor elkaar zorgen.” Esther, tien jaar oud, zei: „Ik begrijp het.”
Als het later ter sprake kwam werden de ogen van Hageman altijd een beetje vochtig in de verte. Maar al te veel wilde ze er niet over praten, ook toen al niet. Ze wilde vooral doorgaan met het leven. De eerste vriendjes parkeerden al snel hun brommer naast het ouderlijk huis en zodra ze dat zelf kon scheurde ze er zelf op weg – een klein litteken op haar kin is daar altijd getuige van geweest. Ze deed de HBS en ging op haar achttiende in Leiden op kamers om te studeren – sociologie en culturele antropologie. Ze vond de wetenschap interessant maar de docenten weinig inspirerend. Op een van haar werkstukken schreef een docent ’voortreffelijk, maar je moet wel je bronnen beter weergeven’.
Ze zou de studie niet afmaken: via de universiteitsbladen Mare en Delta belandde Hageman in 1988 bij de Volkskrant, waar onderwijs haar aandachtsgebied bleef: eerst op de parlementsredactie en later op de onderwijsredactie in Amsterdam. Ze kon vriend en vijand ontwapenen door in de winter de deur binnen te stappen met door de mouwen van haar jas een rood koord, met daaraan twee wanten die eruit zagen alsof ze zelf waren gebreid.
Want om uiterlijke zaken gaf Esther Hageman niet; haar spijkerbroek, gympen en eeuwige sjekkies waren een statement: ik ga nooit de weg die iedereen al gaat. Evenmin gaf ze om politici of onderwijskundigen die in mooie taal allerlei modernismen uitbraakten. „Vroeger gaven scholen les, nu moeten onderwijsinstellingen maatwerk bieden aan cliënten”, zo kon ze sneren.
Na zeven jaar kon Hageman naar een krant die ook veel aandacht besteedde aan de onderwijspraktijk, waar ze chef onderwijsredactie kon worden én – niet onbelangrijk – die haar moeder al jaren las. Ze leidde verschillende generaties onderwijsredacteuren van Trouw met vaste hand: zwicht niet voor mooie woorden, blijf zelf nadenken en ga vooral in de klas kijken, daar draait het om. Als chef was ze verantwoordelijk voor de eerste Schoolprestaties, het inmiddels jaarlijkse katern met daarin de rendementen van de middelbare scholen.
Organisatorisch was de hand van Hageman minder ferm: ze was het liefst ’in het veld’ en als ze al op de redactie verscheen het liefst na het middaguur: ze werkte immers ook in de avond en in het weekeinde. Omdat ze bovendien als een van de laatsten in Nederland een mobiele telefoon aanschafte – ’waarom moet ik nou altijd bereikbaar zijn’, hield ze lange tijd vol – was het voor haar medewerkers nogal eens wachten op instructies. Zelf had Hageman na zeven jaar ook genoeg van de verantwoordelijkheid en daarom nam ze een jaar vrijaf van de krant.
Ze volgde een dag in de week de hoogste klas van een Leidse basisschool en legde dat vast in het boek ’Een beslissend jaar’. Het was een typisch Hageman-werk: geen grote woorden maar een verfijnde schets uit de praktijk waaruit de lezer aan het eind een duidelijke conclusie kan trekken. Maar bij recensenten en het grote lezerspubliek sloeg het niet aan.
Na haar sabbatical viel Esther Hageman als redacteur van de dagelijkse bijlage De Verdieping op met een aantal reportages, maar het opnieuw moeten werken onder een baas viel haar niet altijd makkelijk. Ook daarom was de rubriek Naschrift, waar ze eigen baas werd toen de krant er twee jaar geleden mee begon, een uitkomst.
Maar bovenal kon Hageman op deze plek excelleren in haar menselijke, beeldende schrijfstijl. Ze werd koningin van de slotzin: de meest gewone figuur werd door haar laatste alinea nog altijd een uiterst boeiend mens.
Esther Hageman zou de woorden die ze uitsprak na het overlijden van haar vader ruim veertig jaar volledig waarmaken: de loyaliteit aan haar ouderlijk gezin – maar ook aan goede vrienden en aan de collega’s die ze in haar hart had gesloten – kende bijna geen grenzen. Niet makkelijk, want het noodlot trof het gezin nogmaals, met het tragisch overlijden van haar middelste broer als gevolg.
Het is goed mogelijk dat deze gebeurtenissen een rol hebben gespeeld in het feit dat Esther Hageman nooit een vaste partner kreeg. Er kwamen een paar kortere relaties. Er kwamen tranen, en mededelingen als ’verliefdheid is niet altijd even leuk’. Maar de lat lag erg hoog: bij een man wilde ze een maximum aan inspiratie vinden, maar ook de vrijheid behouden die ze inmiddels zo koesterde.
Hageman zei bovendien, met een knipoog: „Een man is alleen maar interessant als-ie thuis een vleugel heeft staan.” Want de muziek was haar toevluchtsoord en grote passie geworden. Net als haar broers had ze de jazz ontdekt, en al in de jaren zestig de Beatles waarvan ze een enorme studie maakte. Ze speelde jaren bas in het popbandje Trevira 2000 maar verkoos de vleugel en de jazz.
Enige tijd voor haar veertigste verjaardag kwam hij dan toch: die ene Grote Geliefde, de man met wie ze haar leven zonder meer wilde delen en met wie ook het krijgen van kinderen zeker niet uitgesloten was. De liefde werd beantwoord, maar na een tijdje bleek dat deze man zich toch niet vrij wilde maken. Het was een bittere pil waarvan ze op de krant niets liet merken en bij haar familie pas iets later, toen ze ook zei dat ze waarschijnlijk beter was gebouwd voor de ’lagere temperatuurliefde’ van vrienden en familie. En van haar poes Puck uiteraard.
Vorig jaar overleed de moeder van Esther Hageman op hoge leeftijd en in dezelfde periode kreeg een van haar broers een burnout. Zoals altijd stortte ze zich volledig in de hulp en de zorg. Vorige maand zei ze tegen haar collega’s ’en nu ga ik zelf eens op vakantie’. Ze had een drie-weekse fietsreis op het oog waarin ze een historische route, de Natchez Trace Parkway, zou volgen en zou uitkomen bij de Mississippi; om door te reizen naar vrienden in New Orleans. Ja, ze wist dat Amerikanen niet gewend waren aan fietsers, maar hoewel haar route inmiddels een gewone autoweg was geworden lag het daar toch iets anders: er werd veel gefietst. Ze vertrok van de redactie met haar eeuwige groet: ’hoihoi’.
Op haar reis bezocht ze het geboortehuis van Elvis Presley. Op haar camera staat een foto die ze nam van een tekst die in dat huis hangt, en die uitlegt hoe de jonge Elvis aan een gitaar kwam: hij wilde voor zijn verjaardag onder meer een fiets, maar zijn moeder vond deze veel te gevaarlijk.
Hageman fietste op woensdag 22 april rond drie uur plaatselijke tijd op de Natchez Trace Parkway, volgens lokale media bij ’milepost 231’. De auto kwam van achter. De bestuurder stopte na de aanrijding en wachtte tot de politie kwam. Volgens de sheriff was Esther Hageman op slag dood.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.