De directeuren van het Nationaal Historisch Museum moeten vandaag een sceptische Tweede Kamer overtuigen van hun plannen. Moet de politiek zich niet wat bescheidener opstellen?
Een uur de tijd krijgen Valentijn Byvanck en Erik Schilp vandaag om de Tweede Kamer tijdens een hoorzitting enthousiast te maken voor hun plannen. De twee directeuren van het Nationaal Historisch Museum willen het museum in plaats van naast het Openluchtmuseum, op een andere locatie in Arnhem bouwen. Ze kregen de afgelopen weken daarom veel kritiek over zich heen.
Ook hun plan om de inrichting van het museum niet in de eerste plaats te baseren op de vijftig vensters van de nationale canon, maar op vijf thematische ’werelden’, viel in slechte aarde bij veel politici. Zo diende SP-Kamerlid en initiatiefnemer van het museum Jan Marijnissen een motie in, waarin hij vroeg om de chronologie weer centraal te stellen.
Politici die zich gedetailleerd met de inhoud van een museum bemoeien, dat zou in onze buurlanden niet zo snel gebeuren, zegt UvA-cultuursocioloog Dos Elshout. „In Duitsland heb je het Haus der Geschichte. Dat was ook een initiatief vanuit de politiek. Daar is flink over gevochten, maar vooral tussen historici onderling. De politiek heeft zich op een gegeven moment uit het debat teruggetrokken, en het aan professionals overgelaten.”
In Frankrijk zette president Jacques Chirac het Musée du Quai Branly neer, zoals elke Franse president een grand travail achterlaat. „Daar is van tevoren veel minder discussie over de inhoud”, zegt Elshout. „Of ze dekken het veel beter af.”
Frankrijk en Duitsland kennen niet, zoals Nederland, het ’Thorbecke-principe’, dat inhoudt dat de overheid zich niet direct met de inhoud van de kunsten dient te bemoeien. En, bij implicatie, ook niet met de inhoud van een historisch museum. Hoe komt het dan, dat er juist in een land met zo’n traditie toch zoveel hommeles ontstaat?
Elshout zag tijdens de besluitvorming over het museum dat de ’politieke lobby’ opmerkelijk sterk was, tegenover een zwakke lobby van musea die het niet lukte om de handen ineen te slaan. Misschien dat het de politiek zwaar viel om het kindje weer uit handen te geven, beaamt de cultuursocioloog.
Daarnaast past de commotie in een oudere discussie binnen de museumwereld: moet een museum een traditionele verzamelfunctie hebben en een traditioneel verhaal vertellen? Of mag je historische stukken in een andere context plaatsen, en kunst en geschiedenis vermengen? Die discussie speelde in de jaren tachtig al rondom het Groninger Museum. En in de jaren negentig, toen het Rijksmuseum geschiedenis en kunst wilde vermengen.
Jan Vaessen – die destijds directeur was van het Openluchtmuseum – was in die discussies een voorstander van het ’traditionele verhaal’, vertelt Elshout. Vaessen was tevens de opsteller van het plan om het Nationaal Museum in Arnhem te vestigen. Dat plan werd vervolgens door de politiek uitgekozen.
Diezelfde politiek stelde daarop Byvanck en Schilp aan om de plannen van Vaessen uit te voeren. Zij hebben hun sporen verdiend bij respectievelijk het Zeeuws museum en het Zuiderzeemuseum. Dat zijn musea die de traditionele klederdrachten de deur uit hebben gezet, en in hun tentoonstellingen gebruik maken van allerlei moderne hulpmiddelen.
Minister Plasterk had dus van tevoren kunnen weten dat er enige spanning bestond tussen het oorspronkelijke plan, en de museumopvatting van de twee directeuren, zegt Elshout. „Het is niet helemaal zwart-wit, maar Byvanck en Schilp zijn wel drie stappen verder dan Vaessen. Je kon weten wat je in huis haalde. Ze hebben het dan zelf ook weer een beetje op de spits gedreven, door ook de locatie te veranderen. Ze zijn nogal eigengereid.”
Maar geeft dat de politiek dan het recht om ze nu weer terug te fluiten? „Ik kan me voorstellen dat de politiek iets te zeggen wil hebben over de locatie. Maar een motie over de invulling van de zalen, dat is wel erg ver buiten de code.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.