De sjiitische minderheid binnen de islam (10 tot 15 procent) roert zich. Maar is het een ’vloed’?
Je bent kansarme jongere in Marokko en je toekomst ziet er asgrauw uit. Dan kun je een mensensmokkelaar benaderen voor een duur betaald plekje op een levensgevaarlijke boot naar Europa. Maar je kunt ook je woede uiten door sjiiet te worden.
Dat laatste schijnt een trend te worden, als je de autoriteiten van Marokko moet geloven. Speciale ’comités’ bezoeken in dat land sinds kort boekhandels en kijken of die ook sjiitische of pro-Iraanse lectuur verkopen. Want die lectuur ondermijnt de geestelijke fundamenten van het land, zo heet het.
Het soennitische Marokko verbrak onlangs de betrekkingen met Iran, het bolwerk van de sjiitische islam. Het verdenkt Teheran ervan dat het via sjiitisch zendingswerk probeert een vijfde colonne in Marokko te ontwikkelen. In het kader van de morele schoonmaak pakt de Marokkaanse regering overigens nog een andere minderheid aan: homoseksuelen.
Niet alleen Marokko slaat alarm over sjiieten. In Egypte krijgt de veiligheidspolitie sinds kort cursussen in het herkennen van sjiitische uitingen. Want godsdienstige tendensen en ontwikkelingen gelden aan de oevers van de Nijl als een zaak van openbare orde en nationale veiligheid. Vooral als ze ten koste gaan van de hoofdgodsdienst van het land, de soennitische islam. De daverende ruzies tussen Cairo en de sjiitische Libanese Hezbollahleider Nasrallah versterken het gevoel van urgentie.
Toenemende zorgen dus in het noorden van Afrika over wat in het politieke spraakgebruik al enige jaren de ’sjiitische vloed’ heet. Ondanks de provocaties van Nasrallah is dat toch opmerkelijk, want die regio is zo te zien onwrikbaar soennitisch. Landen die al van oudsher een flinke sjiitische minderheid hebben, zijn minder zenuwachtig.
De spanning tussen sjiah en soennah plaatst een aardige voetnoot bij de theorieën van Samuel Huntington. Begin jaren negentig voorspelde deze Amerikaanse politicoloog een ’slag tussen beschavingen’, die in de plaats zou komen van de juist beëindigde Koude Oorlog tussen het democratische Westen en de communistische wereld. De islam zou in die nieuwe blokvorming een hoofdrol spelen.
Maar sindsdien is er ook binnen de islam zelf een ’strijd tussen beschavingen’ opgelaaid, tussen de sjiah en de soennah. Lange tijd leek het een slapende tegenstelling.
De verhoudingen oogden duidelijk. Wereldwijd maken de sjiieten tussen de tien en de vijftien procent van het totale aantal moslims uit. Zo liggen de percentages ook ongeveer in Nederland. In Iran en Irak vormen sjiieten de meerderheid. In Libanon, Pakistan en Jemen zijn ze een belangrijke minderheid. Op wat ministaten na zijn de sjiieten in de overige moslimlanden sterk in de minderheid, of ze komen (kwamen) er zelfs helemaal niet voor, zoals in het noorden van Afrika.
De sjiieten leken hun (nederige) plaats te kennen, maar dat is veranderd sinds de Iraanse islamitische revolutie (1979), die uitmondde in een sjiitische republiek. Omdat die republiek zijn sjiitische revolutie wilde ’exporteren’ naar de rest van de islamitische wereld brak er onrust uit onder soennitische dictators.
Een hoofdrol bij de beteugeling van de sjiah speelde destijds de Iraakse despoot Saddam Hoessein. Ongeveer zestig procent van de Irakezen is sjiiet. Saddam, zelf soenniet, hield de sjiieten er met veel moord en doodslag onder. In 1980 begon hij een oorlog tegen Iran.
Met de Iraanse capitulatie in 1988 leek de ’sjiitische dreiging’ te zijn afgenomen, maar vijftien jaar later waren de bordjes weer verhangen ten gunste van Iran en de sjiah.
Schijn kan bedriegen. Ondanks alle rituele scheldpartijen op de Verenigde Staten (in officieel Iraans taalgebruik ’de grote Satan’) is Teheran de Amerikanen eeuwig dankbaar omdat ze in 2003 Saddam Hoessein ten val brachten. Daardoor kon de sjiitische meerderheid in Irak eindelijk een politieke hoofdrol spelen. Iran zag Irak veranderen van een gevaarlijke vijand in een welwillende en afhankelijke buur.
Sinds Saddams val klinken er vanuit Noord-Afrika klachten over de ’sjiitische vloed’. De omvang daarvan blijft vooralsnog onduidelijk. In Marokko variëren de schattingen van honderden tot duizenden bekeerlingen. In België levende Marokkanen zouden aldaar kennis hebben gemaakt met de sjiah en die hebben overgebracht naar Marokko.
De meeste aanhang zou de sjiah kunnen hebben in Tunesië. Een sjiitische voorman in dat land heeft het over ’honderdduizenden’ – voor wat het waard is. In de jaren zestig, toen hijzelf het licht zag, waren er volgens hem nog geen sjiieten in Tunis.
In de Egyptische delta zou een boerendorp de sjiitische islam hebben omarmd. Op een bevolking van minimaal zeventig miljoen mensen lijkt dat weinig schokkend.
Maar de machthebbers leggen waarschijnlijk een verband met een ander verschijnsel: de toenadering tussen Teheran en militante soennitische groeperingen. Van soennitische hyperextremisten zoals Al-Kaida of de taliban moet Iran niets hebben, maar het is bevriend met de Moslimbroeders in Egypte en de Palestijnse organisatie Hamas. De Moslimbroeders tarten de autoriteiten met hun stelling dat de sjiah een acceptabele variant van de islam is.
De ’export van de revolutie’ mag dan zijn mislukt, Iran heeft in soennitische landen wel blijvende bondgenoten gevonden. De bewondering is vooralsnog voornamelijk politiek en militair van aard. De Libanese sjiitische Hezbollahbeweging dwong alom, ook bij soennieten, respect af voor de knappe guerrillastrijd tegen de Israëlische bezetters in het zuiden van Libanon.
De autoriteiten zouden echt problemen kunnen krijgen als die politieke bewondering een religieuze dimensie zou krijgen.
Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren in de Gazastrook, waar Hezbollahleider Nasrallah en de Iraanse president Ahmadinejad, beiden sjiieten, groot aanzien genieten. Op een Arabische website schrijft iemand dat veel Palestijnen in de Gazastrook sjiiet zijn geworden vanwege Hezbollah.
Sommigen wijzen op de ’sjiitische genen’, die nog altijd in Noord-Afrika actief zouden zijn. Want lang geleden was Noord-Afrika juist het bolwerk van de sjiah. Cairo is ruim duizend jaar geleden gesticht als de hoofdstad van de sjiitische, Fatimidische kaliefen. De Al-Azhar-universiteit in Cairo is nu het centrum van soennitische orthodoxie, maar begon als een sjiitische instelling. Sporen van dat sjiitische verleden zouden nog voortleven in persoonsnamen en volksgewoonten.
Iran moet op zijn beurt ook weer behoedzaam laveren in het eigen land, waar er een aanzienlijke soennitische minderheid is. Teheran pakt dat op zijn eigen manier aan. Het oppert de mogelijkheid dat de Al-Azhar een dependance opent in Iran. Dat lijkt ruimdenkend, maar het dient ook een welbegrepen eigenbelang. Goed onderlegde soennitische theologen van de Al-Azhar zouden een tegenwicht kunnen bieden aan radicale, Al-Kaida-achtige ontwikkelingen bij de Iraanse soennieten. Maar zolang er in Teheran nog een straat is genoemd naar een van de moordenaars van de Egyptische president Sadat – omgebracht in 1981 bij een spectaculaire aanslag – zal er nooit een Azharafdeling komen in de Iraanse hoofdstad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.