Het voormalig verzet, ooit een machtige pressiegroep, heeft besloten om zichzelf op te heffen. Er zijn te weinig leden om de landelijke organisatie in stand te houden.
Het bestuur van de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland (NFR) heeft unaniem besloten om de raad per 30 juni 2010 op te heffen. Nog net lang genoeg om de 65ste herdenking van de bevrijding mee te maken, maar ook om verdere onttakeling vóór te zijn.
Tien jaar geleden zou het opheffingsvoorstel nog tot felle discussies hebben geleid. Nu is er – na een jaar intern beraad – berusting en aanvaarding. „We moeten met elkaar dankbaar zijn dat we dit besluit op een verantwoorde wijze hebben kunnen nemen”, zegt voorzitter Wim de Bruijn (87). „Als we dat niet gedaan zouden hebben, zou de NFR een stille dood zijn gestorven en dat is niet netjes.”
Het gisteren in Doorn genomen besluit om de raad op te heffen, is onvermijdelijk. De gelederen dunnen door ziekte en sterfte steeds verder uit, van enkele duizenden naar nog geen vierhonderd leden. De afgelopen drie jaar heeft de organisatie per jaar zo’n 20 procent van de leden verloren. Van de 26 lidverenigingen zijn er al elf opgeheven.
Hoezeer het besluit ook te beredeneren is, De Bruijn en zijn medebestuurders, vicevoorzitter Eb Pereboom (83) en secretaris Loek Caspers (84), zijn wel met ’enige weemoed’ vervuld. De NFR was in de naoorlogse periode een invloedrijke organisatie die de regering adviseerde over gevoelige kwesties zoals de vrijlating van ’foute’ Nederlanders, de viering van 5 mei en uitkeringen voor oud- verzetsmensen en nabestaanden. Caspers: „Toen luisterde de regering naar ons. Met de jaren is dat steeds minder geworden.”
Met het opheffen van de NFR verdwijnt ook het geheugen van het verzet. Daar maken de oud-verzetsmensen zich zorgen over, al is er veel geboekstaafd en gaat het archief naar het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Pereboom: „Het risico bestaat dat fantasie en werkelijkheid flink door elkaar gaan lopen. Dat kan niet meer tegengesproken worden.”
Van de saamhorigheid in het verzet (’Je deelde je laatste boterham en sigaret’) zien ze tot hun spijt weinig terug in de samenleving, waar nu een ’enorm individualisme’ heerst. Aan heldhaftige verhalen hebben de bestuursleden sowieso geen behoefte. Ze waren in de oorlog jong en ongebonden, zouden met een gezin misschien een andere keuze hebben gemaakt. „Bovendien”, zegt Eb Pereboom, „past ons enige bescheidenheid: van de echte grote mannen hebben er maar heel weinig de oorlog overleefd”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.