*

 

’Die meneer heeft zeker vijf dagen zo gelegen’

Wilfried van der Bles − 14/04/09, 00:00

Vaak zal het niet gebeuren dat een verpleeghuis in korte tijd een complete medische staf verspeelt. Verpleeghuis Jan Bonga, onderdeel van de grote Amsterdamse zorgketen Amsta, kreeg het voor elkaar. Jedidja Fortuijn: „Ik ben bang dat er in ons verpleeghuis voortijdig mensen zijn overleden.”

  • (Trouw)
  • Van links naar rechts: Jedidja Fortuijn, Ineke Hoekstra en Vanusa Baroni Caramel. Zij wilden geen verantwoordelijkheid meer dragen voor de zorg in Jan Bonga. (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

Schrijnende gevallen heeft ze er meegemaakt, zegt Jedidja Fortuijn. „Een meneer. Dikke buik. Uitgedroogd, uitgemergeld. Was er slecht aan toe. Het leek een gezwel. Ik besloot te katheteriseren. Kwam er 2,5 liter urine uit. Daarna ging het een stuk beter met hem. Die meneer moet zeker vijf dagen zo gelegen hebben.

„Achteraf bleek zijn probleem al weken te spelen. Al die tijd was er geen arts bij gehaald, terwijl hij rap achteruit ging. Een paar dagen later kwam ik op de afdeling. ’Nu je er toch bent’, vroegen ze, ’wil je even naar meneer kijken?’ Lag hij al dood te gaan. Zegt iemand: ’Ja dat dachten we vanochtend al’.”

Vol goede moed trad de net afgestudeerde verpleeghuisarts Jedidja Fortuijn op 1 september 2007 in dienst van Amsta (voorheen Tabitha), vestiging Jan Bonga in de Amsterdamse wijk Geuzenveld. Op 1 augustus 2008 vertrok ze weer, teleurgesteld. Om vermoedelijk nooit meer terug te keren in de verpleeghuiszorg. Fortuijn studeert inmiddels Nederlands.

Niet lang daarna nam het hoofd medische dienst Ineke Hoekstra ook ontslag. Zij werkt inmiddels in een kliniek voor verslaafden. Op 1 december 2008 vertrok de derde op rij: Vanusa Baroni Caramel. Zij bleef wel in de sector werken. En zo verspeelde Jan Bonga in korte tijd drie verpleeghuisartsen.

Jan Bonga is een verpleeghuis voor demente mensen. Er is een kleinschalige afdeling met 36 bewoners en drie grotere afdelingen met zestig bewoners elk: eentje voor jong dementerenden en twee psychogeriatrische afdelingen. Fortuijn kreeg de kleinschalige afdeling en een van de psychogeriatrische afdelingen onder haar hoede, in totaal 96 patiënten.

Jan Bonga had geen al te beste reputatie toen zij er begon te werken. Een verpleeghuis hoort ’verantwoorde zorg’ te leveren, dat wil zeggen zorg die ’doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht is, en afgestemd op de behoefte van de patiënt’. In maart 2005 constateerde de Inspectie voor de volksgezondheid dat Tabitha (Jan Bonga) ’nog ver weg is van deze wettelijke verplichting’. Fortuijn: „Het verpleeghuis had geen goede naam. Maar ik dacht: ik ga het toch proberen. Er was een half jaar voor mij een nieuw hoofd van de medische dienst gekomen, Ineke Hoekstra, in wie ik veel vertrouwen had. Zij had de opdracht de medische zorg op een hoger plan te tillen. In het begin vond ik het er ook heel leuk. Ik bracht structuur aan in het werk, voerde vaste tijden in voor de dagelijkse ronde langs de patiënten, begon dossiers op te schonen en medicatielijsten door te lopen.”

Geleidelijk aan begon het bij Fortuijn te dagen dat de zorg in het verpleeghuis niet goed liep. Ten dele kwam dit door een chronisch tekort aan personeel en ten dele door te laag geschoold personeel. Zo ontbrak het een deel van de verzorgenden aan vermogen om ziektes te signaleren, reden waarom zij bij herhaling te laat een arts inschakelden. Maar belangrijker nog is de rol van het management. Hoekstra heeft als hoofd van de medische dienst meerdere keren de problemen bij de directie aangekaart. Zonder resultaat. Hoekstra: „De directie had zich neergelegd bij de huidige kwaliteit van zorg. Onze signalen werden daar ervaren als een last.”

Door deze houding heerste er volgens de verpleeghuisartsen in Jan Bonga een ’gesloten cultuur’. Misstanden drongen niet door tot de raden van bestuur en van toezicht. Ze werden ook niet aangekaart bij de cliëntenraad. Ook de ondernemingsraad liet niets van zich horen. Fortuijn: „Er waren rare mechanismen aan de gang: als de zorgmanager op de afdeling kwam dan hoorde ze niks over de gevolgen van de onderbezetting. Toen de afdeling kleinschalig wonen werd geopend kwam er iemand van de raad van bestuur. Op zo’n moment zie je in elke huiskamer een verzorgende. En er staan overal bloemen. Maar het is schone schijn. Zo kan zo’n man denken dat het allemaal wel goed zit, terwijl de situatie dramatisch is. Verzorgenden durven niet aan de bel te trekken en ook managers doen liever of alles goed gaat. Het lijkt wel alsof ze zich schamen. Ik denk dat zelfs de staatssecretaris die veel op werkbezoek gaat zich meestal een verkeerd beeld laten voorspiegelen”. Hoekstra: „Het is struisvogelpolitiek”.

De (para)medische staf deed er alles aan om de verzorgenden bij te scholen met als doel de kwaliteit te verhogen. Fortuijn: „De logopedist probeerde er bij de verzorgenden in te krijgen om de gehoorapparaten elke week schoon te maken. En ook om de batterijen goed te controleren. Maar dit gebeurde heel vaak niet. Het invoeren van goede mondzorg door de verzorgenden kwam niet van de grond. De psycholoog had vergelijkbare ervaringen. Die ontwikkelde de meest fantastische programma’s hoe een demente bewoner te benaderen. Maar het werd niet toegepast. Zelf drong ik er op aan om bij te houden of de bewoners goed aten en dronken, op tijd ontlasting hadden en plasten. Ook vroeg ik de verzorgenden om bij sommige bewoners de pijn te controleren. Dergelijke controles heb je absoluut nodig om te weten of een bepaald behandelplan of bepaalde medicijnen aanslaan. Vaak werden deze controles niet bij gehouden. Dus kwam het er op neer dat wij als verpleeghuisartsen het werk van de verzorgenden moesten gaan doen, wilden we de kwaliteit van de zorg verbeteren.”

Nee, het gebrek aan lerend vermogen willen de verpleeghuisartsen de verzorgenden niet aanrekenen. Fortuijn: „Het ontbreekt hen domweg aan tijd om cursussen te volgen. Dat verwijten wij het management. Dat moet de roosters zo indelen dat er tijd overblijft voor bijscholing. Er zijn een heleboel gemotiveerde verzorgenden die de afdeling proberen te dragen maar die ook maar twee handen hebben. Daardoor voelde ik me bezwaard om te zaniken: zij deden immers hun best, maar de middelen waren zo schaars dat dat niet lukte. Vaak moesten zij ook nog de rommel opruimen van hun slechter functionerende collega’s. Die werden namelijk gehandhaafd vanwege het personeelsgebrek.”

Aan de basis van alle problemen ligt geldgebrek, meent Hoekstra. „Per cliënt ontvangt het verpleeghuis uit de AWBZ-pot zo’n 180 euro per dag. Dat is te weinig om de juiste zorg te kunnen leveren. Vergelijk dat bedrag eens met de 600 euro per bewoner in een TBS-kliniek. De verslavingskliniek waar ik nu werk heeft, op een groep van 24 opgenomen patiënten, een fulltime gz-psycholoog, een full time verslavingsarts, 16 uur een psychotherapeut en 16 uur een psychiater, met daarnaast verpleegkundig personeel van niveau 4 en hoger. In het verpleeghuis werken op de afdeling met zestig jong-dementerenden met ernstige gedragsstoornissen en somatische problematiek, één psycholoog zonder ggz-opleiding 22 uur per week en een verpleeghuisarts 24 uur per week. De verzorgenden hebben maximaal niveau 3. That’s it. In de verslavingskliniek wordt de opleiding tot gz-psycholoog gesubsidieerd. Het verpleeghuis kan fluiten naar subsidie. Die moet de halve ton in euro’s aan opleidingskosten gedurende twee jaar zelf betalen. Er is namelijk besloten dat de verpleeghuizen niet in aanmerking komen voor subsidie. Terwijl de gedragsproblemen bij dementerende ouderen veelal ernstig en complex zijn. De zorg voor dementerende ouderen is nu eenmaal niet sexy.”

De zorg in Jan Bonga is zwaar. Vanusa Baroni Caramel: „Bewoners komen hier veelal terecht nadat het thuis helemaal uit de hand is gelopen. Soms zelfs met inbewaringstelling of rechterlijke machtiging. Het zijn zware patiënten met enerzijds dementie en gedragsproblemen en anderzijds allerlei lichamelijke ziektes. Ze hebben weinig familie meer over waardoor ze des te kwetsbaarder zijn. Bovendien is er een grote doorstroom. Dat betekent dat het personeel continu nieuwe bewoners in kaart moet brengen en dat kost tijd.”

Fortuijn: „De staatssecretaris zegt altijd: er zijn verpleeghuizen die wel uitkomen met hun geld. Ja, in sommige regio’s misschien wel. Ik ken een vrouw in Giessendam in een gereformeerd verpleeghuis. Daar bulkt het van de vrijwilligers. Maar hier in de grote stad? Jan Bonga is niet echt geworteld in de wijk. Er is hier een heel andere populatie komen wonen, die de bewoners van dit verpleeghuis niet kennen. Die gaan niet zomaar als vrijwilliger werken.” Op een afdeling met zestig bewoners werken overdag gemiddeld drie gediplomeerde verzorgenden van niveau drie. Zij mogen dingen doen als pillen geven, wonden verzorgen en contact met de familie onderhouden. Daarnaast zijn er verzorgenden van niveau 2 en 1. Fortuijn: „Zij kunnen bewoners wel wassen, maar signaleren bijvoorbeeld niet of iemand bezig is om uit te drogen.” Normaal gesproken is er één verzorgende op 7 patiënten. Baroni Caramel: „Maar tijdens vakanties liep dat soms terug tot één op tien en soms waren er zoveel zieken dat het een op twaalf werd. Eén persoon die twaalf mensen moet aankleden en verzorgen. Waar ligt de grens? Bij veertien, vijftien?”

Fortuijn heeft, zegt ze, op de kleinschalige afdeling twee maal een ’dramatische visite’ gelopen vanwege het gebrek aan continuïteit in de zorg door tekort aan verzorgenden. „Ik zei: ’als dit nog een keer gebeurt, wil ik nooit meer komen. Zo kan ik mijn werk niet verantwoord doen.’ De eerste keer ging het om een vrouw die was gevallen. Ze had een pijnlijke heup en kon niet lopen. Pas na twaalf dagen werd ik er bij gehaald. Hoe haal je het in je hoofd in zo’n geval geen dokter in te schakelen, terwijl er kans is op een breuk? Maar zonder continuïteit van zorg, en zonder familie, kan dit gebeuren. Een andere vrouw zat met een gezwollen schouder na een val. Daar werd ik veel te laat bij geroepen. Na mijn dreigement heeft mijn baas de afdeling overgenomen. Met het management zijn toen flinke gesprekken gevoerd. Er is daarna wel wat veranderd op de afdeling maar het duurde allemaal veel te lang. Ondertussen draag je als arts wel de verantwoordelijkheid maar heb je niet het mandaat om in te grijpen. Ik ben bang dat er in ons verpleeghuis mensen voortijdig zijn overleden. Niet dat dat zo opvalt. Het zijn allemaal mensjes van de dag. Als die een half jaar eerder doodgaan als gevolg van slechte zorg valt dat niet op.”

mailIcon print |