Redacteur, criticus, docent, schrijver: Anthony Mertens was bovenal genieter van literatuur en inspirator van meer dan één generatie schrijvers, studenten en literatuurliefhebbers.
In juli 2004 werd Anthony Mertens getroffen door een herseninfarct. „Ik verdronk in bed”, schreef hij later. Toen hij bijkwam, was hij volledig verlamd, en kon niet meer praten. „Ik moest alles, maar dan ook alles opnieuw leren”, zei hij later in een radio-interview.
En dat was veel. De literatuurwetenschapper die een boek tot meerdere cijfers achter de komma wist te doorgronden, de redacteur die ’zijn’ auteurs tot grote hoogten kon opjagen, de criticus die streng maar hartstochtelijk kon schrijven over literatuur, de bon vivant die (naar eigen zeggen) met A.F.Th. van der Heijden veertig pils kon wegtikken in café De Zwart, moest niet alleen opnieuw leren lopen en praten, maar ook opnieuw leren slikken, kijken, zijn gedachten ordenen, lezen, schrijven.
Maar zijn verstand had hij nog. „Mijn zoon zat naast me en probeerde mijn gebrabbel te vertalen. Toen bleek dat met mijn intelligentie niets mis was.” En hij revalideerde, stukje bij beetje, met behulp van een lange stoet verpleegkundigen, ergotherapeuten, revalidatieartsen en fysiotherapeuten. Hij schreef daar een ontluisterend, eerlijk en soms hilarisch boek over, ’Zwaluwziek’. Met één vinger op het toetsenbord, eindeloos geduld en de hulp van Bernlef. Mertens was schrijver geworden, en dat was een openbaring, zowel voor hemzelf als voor zijn omgeving.
Mertens’ persoonlijkheid was door het herseninfarct onherstelbaar aangetast, en niet alleen ten goede. Hij bleek uitermate emotioneel te zijn geworden, barstte voortdurend in huilen uit en kon op andere momenten ongenadig kwaad worden, mensen uitschelden, racistische taal uitslaan. „Hij is net een baby”, zegt zijn zoon Tim, die het op een gegeven moment niet meer kan houden van ergernis, in ’Zwaluwziek’. „Een verschrikkelijke baby, een racistische baby ook, die ons de stuipen op het lijf jaagt met zijn gescheld op nikkers.”
„Ik bleek een hele nare man te zijn”, zei Mertens later. „Met eigenschappen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Mijn taalgebruik was veranderd. Ik was heel ruw geworden. Dat was voor mijn vrouw niet leuk. Maar het gebeurde allemaal spontaan, ik stond erbij en ik keek ernaar. Het was afdalen in de hel van Dante. Het was geen pretje.”
Mertens schreef dat hij woedend kon worden als mensen lieten doorschemeren dat ze vonden dat hij het wel een beetje over zichzelf had afgeroepen, dat herseninfarct, door altijd zo’n zwaar leven te leiden. Of als mensen tegen hem zeiden dat hij moest uitgaan van wat hij wél, en niet van wat hij níet kon. „Ik maakte me razend om die hypocriete en dodelijke slogans, die uiteindelijk gebezigd werden om te bezuinigen op de mantelzorg.”
Mertens was verwonderd over zijn nieuwe zelf, die hij opnieuw moest leren kennen. Aan de andere kant, hij kon vroeger ook in onredelijk schelden uitbarsten, tegen de sociaal-democraten die het onderwijs vernielden, tegen de christenen of tegen wie ook.
Toen begin jaren ’90 de zoveelste bezuinigingsgolf over de Amsterdamse letterenfaculteit raasde, waarbij in ’zijn’ vakgroep, Moderne Letterkunde, stevig gesneden zou worden, voelde Mertens zich ook persoonlijk diep geraakt. De bureaucratisering, het gebrek aan liefde voor het vak, het gebrek aan betrokkenheid. Hij wond zich vreselijk op over de voorgestelde plannen en hield de eer uiteindelijk liever aan zichzelf. Hij vertrok van de universiteit, stampvoetend en zonder om te kijken.
En dat terwijl hij op de universiteit, waar hij sinds 1974 werkte, veel had gevonden: tijd om te lezen, te onderzoeken, om zich te verdiepen en zijn ongebreidelde hartstocht voor literatuur op anderen over te dragen. Mertens had aan de universiteit een vaste schare fans, die aan zijn lippen hingen en desnoods voor zijn plezier alle boeken lazen die hij noemde.
Hij was in 1991 cum laude gepromoveerd op het proefschrift ’Sluiproutes en dwaalwegen’, ondertitel ’aspecten van een liminale poëtica toegelicht aan de hand van het werk van Jacq Firmin Vogelaar’.
Pittige kost, dat proefschrift, over de filosofie van de drempelervaring, van Walter Benjamin tot Jaques Derrida, en dat toegepast op het werk van de ook al niet makkelijke avant-gardist Vogelaar. Mertens was in zijn universitaire werk een begenadigd theoreticus. Maar het proefschrift was leesbaarder dan je op basis van die gortdroge ondertitel zou vermoeden.
Nadat hij vertrokken was van de universiteit ging hij naar uitgeverij Querido, waar hij redacteur werd. Een logische stap, al zou hij altijd óók docent blijven. Mertens had de volledige Nederlandse literatuur en een groot deel van de buitenlandse tot in de puntjes van zijn vingers. Als redacteur van Querido begeleidde hij een onafzienbare rij Nederlandse literatoren: A.F.Th. van der Heijden, Hella Haasse, Robert Anker, Tomas Lieske, Bernlef. Met velen raakte hij bevriend. Intussen schreef hij recensies, voor De Groene Amsterdammer en voor ander bladen, en was hij actief in literair tijdschrift Raster.
Dat Mertens een schrijver was, en niet alleen een lezer, bleek pas na zijn herseninfarct. In 2006 publiceerde hij bij De Bezige Bij een bundel recensies en kritieken onder de titel ’Lezen man!’. Het was Bernlef die Mertens stimuleerde en hielp bij het schrijven van zijn eerste boek, ’Zwaluwziek’.
Komt na een herseninfarct je ’ware ik’ tevoorschijn? Waarschijnlijk zou Mertens je op je gezicht geslagen hebben als je zoiets in zijn bijzijn had durven beweren. Maar het klonk óók volledig oprecht toen hij in een radio-interview met Wim Noordhoek voor VPRO’s ’De Avonden’ in 2007 zei dat het herseninfarct hem geluk had gebracht. „Ik heb een heleboel verloren, en er heel veel voor teruggekregen. Ik zou niet meer willen ruilen.”
Berusten in zijn lot deed hij niet, hij was er woedend over. „Moet je nagaan: een paar jaar daarvoor was ik doctor in de Letteren. Cum laude gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam. En dan zit je ineens bij ergotherapie, als een klein kind blokjes in een blokkendoos te stoppen. Dat is een grote les in nederigheid, kan ik je vertellen.” Maar hij kon schrijven, en dat had hij nog nooit gedaan. „Dat is winst.”
Omdat zijn rechterhelft verlamd was, moest hij alles met links leren doen, met links leren schrijven. Dat bleek heel anders te zijn, nog afgezien van de onhandigheid van het gebruiken van je verkeerde hand. „De andere helft van mijn hersenen werd gemobiliseerd. Een andere ervaringswereld kwam naar boven.” Er kwamen herinneringen bij hem op die hij jarenlang kwijt was geweest, en ook dat was winst. Hij kon slecht zien, maar des te beter horen. Hij luisterde heel veel naar klassieke muziek.
Met ’Zwaluwziek’ had Mertens een ontroerend boek geschreven en dat was opmerkelijk. Het was het soort literatuur waar hij zich altijd tegen verzet had: persoonlijk en emotioneel. Intussen ligt zijn boek op de afdeling psychologie en gezondheid, tussen titels als ’Communiceren met je kind’ en ’De mythe van de moraalridder’. Als hij hierover niet in huilen was uitgebarsten, zou het hem een hinnikend gelach hebben uitlokt.
„Ik denk dat ik een goed boek heb geschreven”, zei hij eind vorig jaar in een radio-interview. „En daar ben ik heel erg trots op.”
Mertens overleed op 4 april. Hij is 62 jaar geworden. Vandaag wordt hij begraven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.