*

 

De oudste Zeeuw

Rob Buiter − 16/06/09, 00:00

Na diverse vuistbijlen en andere gereedschappen is daar eindelijk het echte tastbare bewijs: een origineel stukje Nederlandse Neanderthaler.

  •  (Trouw)
    (Trouw)
  • Het donkere stukje in deze nagemaakte schedel is het eerste botdeel  dat bewijst dat in Nederland Neanderthalers hebben rondgelopen. Het werd, inclusief de kenmerkende zware wenkbrauw, door een Belgische verzamelaar gevonden in een hoop schelpen in Zeeland, die werden opgezogen van de Zeeuwse Bank, vijftien kilometer uit de kust. In de tijd dat deze jonge man hier rondliep, 40.000 tot 100.000 jaar terug, was de Noordzee een droge vlakte. (MASKER REMIE BAKKER, FOTO ROB BUITER)
    Het donkere stukje in deze nagemaakte schedel is het eerste botdeel dat bewijst dat in Nederland Neanderthalers hebben rondgelopen. Het werd, inclusief de kenmerkende zware wenkbrauw, door een Belgische verzamelaar gevonden in een hoop schelpen in Zeeland, die werden opgezogen van de Zeeuwse Bank, vijftien kilometer uit de kust. In de tijd dat deze jonge man hier rondliep, 40.000 tot 100.000 jaar terug, was de Noordzee een droge vlakte. (MASKER REMIE BAKKER, FOTO ROB BUITER)

„Dit stukje schedel is het meest kenmerkende deel van de Neanderthaler dat je kan bedenken”, zegt de Leidse hoogleraar archeologie Wil Roebroeks. „Het is vooral een bewijs dat onze Noordzee een potentiële archeologische en geologische schatkamer is.”

Professor Wil Roebroeks was toevallig bezig met veldwerk in de buurt van Leipzig, toen zijn collega Jean-Jacques Hublin van het plaatselijke Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie hem aanschoot over een stukje schedel dat hij onlangs voor onderzoek te leen had gekregen. „Hij vertelde dat het door een Belgische verzamelaar in Nederland was gevonden. Maar omdat we hier in Nederland geen echt gespecialiseerde fysisch-antropologen hebben, lag het in de rede dat zo’n stuk in Duitsland werd onderzocht.”

Als hoogleraar archeologie van de vroege mens, aan de Universiteit van Leiden, houdt Roebroeks zich al jaren bezig met onderzoek aan Neanderthalers. Maar van deze – toen nog potentiële – eerste laagland-Neanderthaler sloeg hij niet meteen steil achterover. „We hadden immers al diverse werktuigen van Neanderthalers gevonden, van Limburg tot Friesland. Dat de Neanderthalers hier hadden rondgelopen, was dus al zonder meer duidelijk. In die zin was het gewoon een kwestie van tijd tot het eerste fossiel gevonden zou worden.”

Toch liet zijn eerste fysieke ontmoeting met het stukje Nederlandse Neanderthaler Roebroeks niet koud. „Ik kreeg letterlijk kippevel toen ik de vinder, Luc Anthonis in België opzocht en het stukje schedel in handen kreeg. Het fragmentje is niet veel groter dan vijf bij tien centimeter. Maar het is wel het best denkbare stukje van de schedel dat hij had kunnen vinden. De kenmerkende zware wenkbrauwwal is zelfs een van de dikste ooit gemeten. We denken dan ook dat het om een man gaat. Bovendien is een schedelnaad nog niet helemaal dichtgegroeid, wat duidt op een jong individu. En ja, dan gaat het allemaal wel leven als je zo’n stukje in handen hebt.”

De doodsoorzaak van deze jonge Neanderthalerman kon niet worden vastgesteld. Maar in het wetenschappelijke artikel dat binnenkort over de vondst verschijnt in het Journal of Human Evolution, beschrijft een van de auteurs, antropologe Darlene Weston wel waarom er een gaatje boven de wenkbrauw van deze man zit. De gelijkmatige vorm en de structuur van het bot rond het gaatje, laten volgens Weston duidelijk zien dat deze man een kleine tumor in de huid boven zijn oog had zitten. Wederom een primeur in het Neanderthaleronderzoek.

De onderzoekers van het Max Planck Instituut in Leipzig konden bovendien zeggen wat het dieet van deze man was geweest. Subtiele kenmerken van de stikstof- en koolstofatomen in het bot laten volgens de wetenschappers zien dat hij bijna alleen maar vlees moet hebben gegeten. „Dat komt ook goed overeen met de ideeën die wij tot nu toe hadden over deze mensachtigen, zegt Roebroeks. „De Neanderthaler was een zwaargebouwde mens die veel energie nodig had. Hij leefde waarschijnlijk van de jacht op grote zoogdieren. Zoals wij daar nu tegenaan kijken, is dat de Neanderthalers als soort uiteindelijk ook noodlottig geworden. Tot voor kort werd wel gedacht dat Homo neandertalensis en de moderne mens, Homo sapiens, lange tijd samen hebben geleefd. De Neanderthaler zou volgens die theorie na lange strijd het onderspit hebben gedolven in de strijd met sapiens. Maar het bewijs voor die theorie is nog dun. Het zou wel kunnen dat de ranke, omnivore moderne immigrant uit Afrika net iets te veel voedsel wegpakte van de logge, energieslurpende Neanderthaler, en dat subtiele verschillen in geboorte- en sterftecijfers de Neanderthaler uiteindelijk van het toneel deden verdwijnen.”

De ouderdom van het Nederlandse Neanderthalerfossiel kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Fossielen tot 50.000 jaar oud kunnen soms met behulp van radioactief koolstof worden gedateerd, maar dit fragmentje was te klein om er op een nette manier voldoende bruikbaar koolstof uit te halen; dan zou het hele fragment vermalen moeten worden. Er zijn wel andere aanwijzingen. Op basis van de anatomie lijkt de man tussen 40.000 en 100.000 jaar voor heden te hebben geleefd: dat zijn de nadagen van deze mensensoort. Andere beroemde Neanderthalers uit die periode zijn onder meer gevonden in het Zuid-Franse La Chapelle-aux-Saints. Een vergelijking op basis van hoge resolutie CT-scans van het fragment met ’de oude man van La Chapelle’ geeft een vergelijkbaar beeld. Vandaar dat de Rotterdamse kunstenaar Remie Bakker de complete schedel die hij rond het fragmentje modelleerde baseerde op de schedel uit La Chapelle.

Al met al levert het stukje schedel van de Zeeuwse Bank een aantal aardige wetenschappelijke details, maar niet echt een doorbraak, zegt Roebroeks relativerend. Om daar meteen aan toe te voegen: „Al is dit niet echt een grote stap voor de Neanderthalerwetenschap, het is wel een hele grote sprong voor Nederland. Of zoals een van de referenten van het toptijdschrift Journal of Human Evolution het schreef in zijn beoordeling van ons artikel: het stukje laat op een dramatische wijze zien wat we als archeologen en paleontologen allemaal kwijt zijn geraakt. Op de geologische tijdschaal stond de Noordzee niet vaak zo hoog als nu. In de tijd van deze Neanderthaler lag de Noordzee zelfs helemaal droog. Het moet hier voor de kust dan ook helemaal vol liggen met fossielen. Alleen, we kunnen er nauwelijks bij.”

De Haagse amateur-archeoloog Jan Glimmerveen kan erover meepraten. Al diverse keren ging hij met paleontoloog Dick Mol, strikt gesproken eveneens een amateur in zijn vak, mee de zee op. Met speciaal gecharterde vissersboten, visten ze op fossielenrijke gronden naar alles wat er maar in hun netten wilde komen. „Een heel enkele keer zitten daar artefacten bij”, zegt Glimmerveen. „Zo hebben we één, misschien twee stukken rendiergewei waar menselijke bewerkingssporen op zitten. De vondst van dit stukje schedel is een enorme stimulans om nog veel beter te gaan zoeken naar sporen van mensen uit het ijstijdvak.”

Ook Mol is enthousiast over de vondst van wat hij noemt ’deze oer-Zeeuw’.

„Het bewijst dat de mens een gewoon onderdeel was van de mammoetfauna, de verzameling dieren die hier in het ijstijdvak rondliepen. Mammoeten, neushoorns, wisenten, wilde paarden en daartussen de Neanderthalers. In het verleden bestond van de mammoeten een compleet verkeerd beeld. Het zouden dieren zijn die over zwaarbesneeuwde toendra’s sjokten, op zoek naar wat spaarzaam gras. Inmiddels weten we dat het veel eerder dieren waren die graasden in droge omgevingen, de zogenoemde mammoetsteppe. Dankzij dit stukje schedel kunnen we ook een bekrompen beeld van de Neanderthalers nuanceren. Veel mensen associëren Neanderthalers immers met grotten; vandaar dat de cliché-plaatjes van deze mensen bijna altijd holbewoners laten zien. Dit fragment toont nog eens aan dat dat niet correct is. Ik zie dan ook liever een plaatje van een jager die op de vlakte die de Noordzee toen was, achter een kudde wisenten aanjaagt”, aldus Mol.

Professor Roebroeks benadrukt dat de vondst van de Neanderthaler vooral een kroon is op het werk van deze amateurs, „niet alleen van de Belgische vinder die met veel geduld de schelpenhopen in Zeeland heeft uitgeplozen op fossielen, maar ook voor de Noordzee-pioniers Mol en Glimmerveen. Wat we tot nu toe weten over de enorme potentie van de Noordzee, is vooral dankzij hen. Hopelijk draagt deze eerste Nederlandse Neanderthaler eraan bij dat er meer geld komt voor onderzoek. Bij de instanties die overbleven na de opheffing van de internationaal vermaarde Rijks Geologische Dienst, ligt bijvoorbeeld nog een pakhuis vol met boorkernen en gegevens uit de Noordzee. Laten we die alsjeblieft nu eens goed gaan onderzoeken, zodat we een serieus beeld kunnen krijgen van de geschiedenis van de Noordzee met de bijbehorende klimaatveranderingen en waterstanden. In die zin mag je zeggen dat de Neanderthaler uit de Noordzee vooral voor de pr van het Noordzee-onderzoek een belangrijke vondst is geweest”, aldus Roebroeks.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />