opinie De oogst van de afgelopen maanden was weer eens van een grote treurigheid. Zo vond de ene gemeente het een uitstekend idee om een aparte vrouwenloket in de moskee te subsidiëren, faciliteerde de andere een clubje dat het bedekte dameshoofd propageert, en gaf een derde haar zegen aan een theater dat mannen en vrouwen gescheiden placeert.
Allemaal gevallen van religieus geïnspireerd seksisme. Maar als het gebeurt onder het mom van integratie, dan vinden lokale overheden dat blijkbaar geen enkel punt. Hoe heeft het zover kunnen komen?
Begin deze maand presenteerde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het ’Tweeluik religie en publiek domein’. Onder haar leden, las ik, leeft ’veel onzekerheid’ over de scheiding tussen kerk en staat. Hoog tijd, vond de vereniging, voor een brochure vol praktische ’handvatten’.
Bij het CDA waren ze naar eigen zeggen aangenaam verrast door het resultaat. En ook PvdA-minister Guusje ter Horst bleek er nogal mee ingenomen. Het werkje was volgens haar ’een zeer nuttig hulpmiddel’.
Omdat het definitief een einde maakt aan genoemde onzekerheid? Nee, juist omdat het dat niet doet. De minister prees het document omdat het ’geen wetmatigheden’ bevat „die in stenen tafelen zijn gebeiteld”. Kern van haar betoog: gemeenten moeten niet ’krampachtig’ doen over religie. Dat is volgens haar „onnodig en onwenselijk omdat de scheiding tussen kerk en staat geen waterscheiding is”.
Leuk bedacht. Maar als een scheiding geen scheiding mag zijn, wat is het dan wel?
De brochure zelf er maar eens bijgepakt. En zie, ook daarin figureert een begrip dat niet mag betekenen wat het betekent: de neutrale staat. De opstellers onderscheiden (in navolging van de gemeente Amsterdam, die het weer heeft van een Tilburgse metajurist) liefst drie soorten neutraliteit: de ’exclusieve’, de ’inclusieve’ en de ’compenserende’.
Dat klinkt als semantisch gegoochel – en dat is het ook. Waartoe dat leidt, blijkt als de brochure concrete voorbeelden behandelt. Overheidsdienaren mogen van de opstellers ’in algemene zin’ best een hoofddoek of tulband dragen. ’Instandhoudingsubsidies’ voor kerken en moskeeën ontmoeten evenmin bezwaar (’Men kan de overtuiging hebben dat de godsdienstvrijheid de overheid verplicht er zorg voor te dragen dat die vrijheid daadwerkelijk kan worden uitgeoefend’). En ook steekt er geen kwaad in subsidiëring van websites die een ’gematigde’ islam prediken. Dat heet dan ’compenserende neutraliteit’ – ofwel: ’extra steun’ voor een religie die „op achterstand staat”.
Alweer: leuk bedacht. Maar vele malen zindelijker zou natuurlijk zijn als er één soort neutraliteit zou bestaan. Als de staat zich principieel verre zou houden van de kerk – en omgekeerd.
Ik weet het, tegenstanders voeren graag aan dat de scheiding tussen kerk en staat nergens met zoveel woorden in de Grondwet te vinden is. Het is hooguit een ’beginsel’ dat voortvloeit uit andere grondwetsartikelen. Helaas, ja. Want juist daardoor is er in Nederland altijd geworsteld, geschipperd en gesjoemeld met wat wel kan en wat niet. En juist daardoor belanden we telkens weer in het moeras.
Geen misverstand: iedereen moet zijn eigen favoriete godsdienst kunnen belijden. Met of zonder hoofddoek, gescheiden of gemengd, ultraorthodox of vederlicht. Maar binnen de eigen muren alstublieft. En vooral: zonder dat er gemeenschapsgeld mee is gemoeid.
Een beetje neutrale overheid bestaat nu eenmaal niet – net zomin als een beetje zwanger bestaat. Misschien moeten we dáár eens aan vasthouden. Zo krampachtig als het maar kan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.