*

 

Het territorium van de ander is niet heilig in Israël

Inez Polak − 11/06/09, 15:32

weblog De Israëlische oppositieleider Tzipi Livni haalde onlangs fel uit naar het leiderschap van premier Netanjahoe. Consequent betitelde ze hem kortweg met Bibi. Tot de voorzitter van het parlement haar, na protest uit Likoedgelederen, terechtwees.

Reuben Rivlin – beter bekend onder zijn roepnaam Roebi, verzocht haar de premier in de Knesset niet met Bibi aan te duiden maar met zijn officiële functie en naam.

Bibi, Tzipi, Roebi, Boedji, Boegi – het zijn slechts enkele van de roepnamen van Israëls hoogwaardigheidsbekleders. Boegi is de oud-opperbevelhebber, Boedji is de minister en presidentszoon Jitschak Herzog. Het is een verbastering van het woord poppetje, verklaarde zijn moeder ooit de herkomst. Maar ook bijvoorbeeld de inmiddels 73-jarige minister van industrie Benjamin Ben Eliezer wordt nog altijd door iedereen Foead genoemd, de naam die hij als kind in Irak had. En Arik staat voor Ariel Sjaron (nog altijd in coma).

De Israëlische journalist-politicus Oeri Avneri merkte ooit op dat er weinig te verwachten valt van politici die elkaar nog altijd bij hun troetelnamen uit de kleuterklas noemen.

Toen tijdens de verkiezingscampagne Ehoed Barak, de leider van de Arbeiderspartij, zijn politieke rivaal Livni bij haar volledige voornaam Tzipora noemde was dat laatdunkend bedoeld. Hij werd meteen beschuldigd van machogedrag en seksisme.

Het is in Israël gebruik iemand vrijwel meteen bij zijn voornaam te noemen, zoiets als U bestaat in het moderne Hebreeuws niet. Helemaal is het onderscheid tussen het privé- en het publieke leven ver te zoeken, laat staan respect voor enige privacy.

Vroeger, toen er nog brieven waren, was het goed gebruik dat je buurman in de bus over je schouder meelas. Als de taal een obstakel vormde, hoefde je niet vreemd op te kijken als hij naar de inhoud vroeg. Nu leest hij ongegeneerd mee in je krant, en moet je bij het omslaan rekening met hem houden. De kruidenier weet voor jou dat je die ene kaas veel lekkerder vindt, en als je om een typisch Nederlands ‘éénonsje’ vraagt, weet hij dat dat echt veel te weinig is.

De grootste overgang is altijd van de Nederlandse fitnessklas naar die in Israël. In Nederland kom je ruim op tijd, pak je je matje en pas je er bij het neerleggen wel voor op het ‘territorium’ van een ander te schenden. Je wacht geduldig op je plek op de komst van de leraar die op tijd komt.

In Israël is Daffi nog nooit op tijd gekomen, wat niet hindert, want het laat gewoon meer tijd om recepten uit te wisselen, elkaars hypotheken te vergelijken, en laatste familienieuwtjes te vertellen. Nog voor mijn eerste les ooit begon was me al het hemd van het lijf gevraagd, en na twee-drie lessen was ook ik veel wijzer.

De Amerikaanse columnist David Brooks beschreef een tijdje geleden in de New York Times hoe hij tijdens zijn bezoek was getroffen door het gebrek aan scheidslijnen: "Ze bejegenen vreemdelingen alsof ze hun zwager zijn." Hij vertelde hoe een kennis naar het inlichtingennummer belde voor het telefoonnummer van een restaurant, waarop hij als antwoord kreeg dat hij daar beter niet kon gaan eten, want dat het eten bij die en die veel lekkerder was.

Bij mijn meest recente entree verzuchtte de agente van de grenspolitie in alle oprechtheid na vertoon van mijn perskaart, dat ze hoopte dat ik iets positiefs over Israël zou schrijven, "want die Hollanders houden ook al niet meer van ons."

In een land waar de nationale gebeurtenissen tegelijkertijd zo vaak emotionele ingrijpende persoonlijke ervaringen zijn, vervagen de grenzen. Israël is grenzeloos, in alle opzichten. Misschien is het zelfs geen toeval dat Israël na ruim zestig jaar nog steeds hevig tegenstribbelt als de buitenwereld het grenzen wil opleggen.

mailIcon print |