Lagere mbo-opleidingen mogen geen ’middelbaar beroepsonderwijs’ meer genoemd worden. De problemen bij die opleidingen zijn slecht voor het imago van het hele mbo, vinden de mbo-scholen.
Alleen de hogere mbo-opleidingen heten voortaan officieel ’middelbaar beroepsonderwijs’. Zo moet het imago van deze opleidingen opgekrikt worden. Dat is beschadigd doordat ook opleidingen op laag niveau, met veel probleemjongeren en drop-outs, als mbo te boek staan.
De mbo-scholen (verenigd in de MBO-raad) hebben daarom de naam ’funderend beroepsonderwijs’ bedacht voor opleidingen op niveau 1 en 2. Die duren hoogstens twee jaar en stomen jongeren klaar voor eenvoudig uitvoerend werk. De naam ’mbo’ wordt gereserveerd voor niveau-3- en niveau-4-opleidingen. Die leiden in drie tot vier jaar op tot zelfstandig werk en banen op middenkaderniveau.
Vanaf komend schooljaar gebruiken alle mbo-scholen de nieuwe namen. „Het stelsel blijft onveranderd, we maken alleen duidelijk waar de niveaus voor staan”, zegt een woordvoerster van de MBO-raad. „We willen geen scheiding tussen twee soorten beroepsonderwijs. De verschillende niveaus horen bij elkaar.”
De indeling in vier niveaus stamt uit 1996. Toen werden onder meer het vormingswerk voor jongeren en het leerlingwezen onder de paraplu van het mbo gebracht. De bedoeling was dat het imago van deze laagste vormen van beroepsonderwijs versterkt werd als ze mbo-niveau 1 en 2 gingen heten.
Maar het tegendeel gebeurde. Veel problemen in het mbo, zoals voortijdig schooluitval, komen vooral voor op niveau 1 en 2. Maar ook het imago van de hogere niveaus (de oude mts, het oude meao) leed daaronder.
Bovendien is de indeling in vier niveaus nooit goed ingeburgerd. „We merken bij bedrijven, ouders én jongeren dat ze niet weten wat wat is”, zegt de woordvoerster van de MBO-raad. „Sommige bedrijven denken nog steeds dat niveau 4 het laagste is.”
De mbo-scholierenorganisatie Job vreest dat het niet bij een naamsverandering blijft. „Voor niveau 3 en 4 is het goed dat niet alles onder één noemer valt”, zegt voorzitter Jouke de Jong. „Maar voor de laagste niveaus kan het slecht uitpakken. Er mag geen kloof ontstaan tussen de twee soorten onderwijs, zodat jongeren na het funderend beroepsonderwijs niet meer omhoog kunnen.”
Staatssecretaris Van Bijsterveldt steunt het MBO-plan en ook bestuursvoorzitter Coen Free van het Koning Willem I College, een mbo-instelling in Den Bosch, is enthousiast. Hij zwengelde vorig jaar de discussie over de naamgeving aan met een voorstel voor een driedeling.
Maar een verdeling in tweeën helpt ook, zegt Free nu. Die komt de duidelijkheid over de waarde van een ’echt’ mbo-diploma ten goede, verwacht hij, en hoeft niet ten koste te gaan van het funderend beroepsonderwijs. „We moeten duidelijk maken dat die opleidingen een uitstekend, ambachtelijk fundament leggen voor bepaalde omschreven functies op de arbeidsmarkt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.