*

 

Alledaagse lafheid bedreigt de cultuur van de democratie

Hans Goslinga − 11/04/09, 00:00

opinie Het is volbracht, zei acht jaar geleden op stille zaterdag de toenmalige minister van volksgezondheid, Els Borst, tegen het liberale avondblad. Met dit kruiswoord sprak ze haar voldoening erover uit dat de paarse euthanasiewet de eindstreep had gehaald.

Naderhand verklaarde ze in de Tweede Kamer dat ze zich niet bewust was geweest van de religieuze betekenis van het woord. De vraag was toen al wat erger was: of ze het christelijk volksdeel moedwillig had willen beledigen, of dat ze onwetend was van een niet onbelangrijk deel van onze cultuur. Hoe dan ook markeerde Borst, al dan niet uit argeloosheid, een historisch moment in de politieke geschiedenis van Nederland.

Voor het eerst bracht, in een gewichtige kwestie, de seculiere meerderheid haar overwicht op de gelovige minderheid van de bevolking tot gelding. De gebeurtenis onderstreepte aldus dat Nederland geen christelijke natie meer was. In deze realistische benadering was het zelfs mogelijk met voldoening vast te stellen dat de nieuwe wetgeving het breed levende rechtsgevoel weerspiegelde. Misschien was het zelfs, vanuit een houding van grootmoedigheid, mogelijk Borst als aanvoerster van een seculiere partij haar moment van glorie te gunnen, nu in de publieke rechtsordening niet langer de christelijke traditie zou prevaleren, maar het recht van het individu op zelfbeschikking.

Borst zelf maakte dat niet gemakkelijk. Ze greep het succes aan om in één ruk door, voor legalisering van ’de pil van Drion’ te pleiten, daarmee aangevend dat ze aan degenen die uit opperste bezorgdheid tegen de nieuwe euthanasiewet te hoop waren gelopen geen boodschap had. Ze zei zelfs letterlijk dat ze ’met mensen die zó denken ieder contact kwijt was’. Met die uitspraak riep ze twijfel op over haar democratische gezindheid en raakte ze een punt dat tot op de dag van vandaag brandend actueel is: hoe gaat de meerderheid om met de minderheid?

In het verzuilde Nederland was het min of meer vanzelfsprekend dat, omwille van de maatschappelijke vrede, elke groep tot inschikkelijkheid bereid moest zijn. Maar door de ontzuiling en individualisering is er stilaan een seculiere, autochtone meerderheid ontstaan, die de neiging kan krijgen minderheden te dwingen zich naar haar normen te voegen. Die neiging kan sterker worden zodra die toch wat diffuse meerderheid naar een gemeenschappelijke identiteit gaat zoeken.

Borst liet in 2001 zien hoe groot de verleiding voor de meerderheid is machtspolitiek te bedrijven en geen acht te slaan op de gevoeligheden van minderheden. Nu hebben zich politieke bewegingen aangediend, de PVV en Trots op Nederland, die er uitdrukkelijk op uit zijn minderheden, zoals de islamitische immigranten, te dwingen zich aan de dominante cultuur aan te passen of anders op te krassen. Borst werd destijds per ommegaande door de Kamer bij de les gebracht. Maar die corrigerende reflex lijkt af te nemen, nu de aanhang van de PVV gestaag groeit.

De PvdA en de VVD hebben er, uit beduchtheid voor die groei, voor gekozen richting Wilders op te schuiven. Beide partijen problematiseren de religie, zolang die niet een vrijzinnig, in hun ogen maatschappelijk aanvaardbaar, karakter heeft. Dat ligt in lijn met de paarse periode, maar strijdt hevig met de democratische principes van de partijen – als puntje bij paaltje komt, wint de macht het altijd van de principes, hoezeer ook politici hun best doen die factor te bemantelen. Het CDA is net zo beducht voor de opmars van Wilders als de PvdA en de VVD, maar het heeft gekozen voor de strategie zich, tot ongenoegen van een minderheid, in het integratiedebat zo min mogelijk te bewegen.

Het gevolg van de houding van de drie oude stromingen is dat de democratische noties als tolerantie, redelijkheid en gematigdheid uit het collectieve bewustzijn van de natie verdwijnen. Straks veronderstelt iedereen dat democratie niet meer is dan het volgen van de regel ’de meerderheid beslist’. Dat misverstand duikt nu al meer dan elke democraat lief moet zijn, in het publieke debat op. Daarom was het een aangename verrassing dat onze minister van buitenlandse zaken, de christen-democraat Maxime Verhagen, woensdag verklaarde dat hij niet in het Nederland van Wilders, een land van wij tegen zij, wil wonen. Ik wil leven in een land van gedeelde waarden, riep hij uit.

Maar dan is het wel noodzakelijk dat politici die waarden uitdragen en het nalaten kopjes te geven aan bewegingen die er, zoals Verhagen zei, op uit zijn ’groepen mensen tegen elkaar op te zetten’. Nu komen de waarschuwende geluiden te vaak van buiten, zoals uit de mond van Herman Tjeenk Willink, de vicepresident van de Raad van State, of van de wetenschappelijke bureaus van de partijen. Daardoor wordt, ongewild, het beeld versterkt dat de actieve politiek louter door de machtsfactor wordt gedreven en dat het verdedigen van democratische waarden niet meer is dan een kwestie van zondagse vroomheid, die op de doordeweekse dag in Den Haag geen rol speelt. Aan deze alledaagse lafheid kan onze democratische cultuur ten gronde gaan.

Het GroenLinks-Kamerlid Halsema schreef de vervreemding tussen Borst en de gelovige minderheid destijds niet alleen aan de minister toe, maar ook aan de ’in beton gegoten opvattingen’ van de christelijke partijen. Daarmee bedoelde ze niet dat die partijen hun principes moesten verloochenen, maar wel dat ze oog moesten hebben voor het veranderende rechtsgevoel in de samenleving dat om nieuwe codificatie vroeg. Van beide kanten wordt dus gematigdheid gevraagd. Daarom is het zaak deze democratische grondhouding heftig te bevechten.

mailIcon print |