Toen hij eenmaal in Nederland was kreeg Ibrahim Selman grote bewondering voor de Joodse nazi-jager Simon Wiesenthal. „Ik beschouwde hem, ondanks zijn kleine postuur, slordige snor en grote oren, als een held.”
Ik geef toe: ik heb grote bewondering voor Joden. Ik ben jaloers op ze. Deze gevoelens ontwikkelde ik ruim veertig jaar geleden toen ik nog in Bagdad woonde. Vóór ik met mijn familie, op negenjarige leeftijd, naar Bagdad vluchtte, ging ik ervan uit dat Joden lafaards waren. Waarom? Omdat de meest gebruikte scheldzin in ons dorp luidde: „Joodkop, je bent laf als een Jood.”
Als kind ga je ervan uit dat volwassenen de waarheid spreken. Maar na een jaar in Bagdad vergat ik die scheldzin. Niet omdat ik opeens een held werd en heldendaden verrichte maar omdat mijn ouders me regelmatig naar huis zagen komen met een bebloede neus, een blauw oog, een gebroken tand of een gekneusde arm.
In Bagdad hoorde ik dat Arabieren Koerden en Joden op één lijn stellen. Ze zagen beide ’rassen’ als vijanden die geëlimineerd moesten worden. Ik maakte kennis met Joden die zich noodgedwongen tot de islam bekeerden. Anderen durfden niet te zeggen dat ze Joods waren om de hoon en vernedering te vermijden.
In die sfeer kreeg ik sympathie voor Joden. Ik begon te twijfelen aan de vooroordelen. Op de middelbare school deed ik zelfs mee aan een toneelstuk over Jodenhaat. Ik speelde de rol van de Jood die uitgelachen, geslagen en uiteindelijk gedood werd. Dit alles, behalve de dood, voelde ik letterlijk tijdens die eenmalige voorstelling.
Een paar maanden later werden de Arabische legereenheden van Egypte, Syrië en Jordanië binnen zes dagen door Israël vernederd en ver over de grenzen van hun eigen land teruggedrongen. Israël werd zes keer zo groot. Ik ging blij naar school, een van de laatste dagen voor de zomervakantie van het jaar 1967. Ik durfde mijn blijdschap niet te tonen.
Ruim een jaar later nam de Iraakse regering onder leiding van Saddam Hoessein, toen vicepresident, wraak op de Joden, de Iraakse Joden. Hij liet tientallen Joden door ophanging executeren en sommeerde het volk, inclusief de scholieren, hun vreugde te tonen en hun steun aan de regering te demonstreren. De Iraakse regering bracht de ’Joodse spionnen’ ter dood op het populairste plein van Bagdad, het Plein van Vrijheid. Het publiek mocht genieten van de heldendaden van de regering, die de laffe verraders publiekelijk had ontmaskerd.
En zo stond ik ineens onder het schommelende lijk van een jonge man met een blauw gezicht en doffe ogen. Misselijk baande ik me een weg door de juichende massa, naar frisse lucht, naar huis. Thuis hoorde ik dat vele Joden via de Koerdische bergen waren gevlucht naar elders.
Toeval of niet, jaren later kwam ik een paar van die gevluchte Joden tegen in Amsterdam. We werden vrienden, maar ze gingen verder op avontuur, ze emigreerden naar Amerika.
In 1980, toen ik zelf naar de Koerdische bergen moest vluchten, zag ik hoe gevoelig het contact met de Joodse staat lag. De twee grote Koerdische partijen, de PUK van de huidige president van Irak Jalal Talabani en de KDP van de huidige president van de Koerdische Regionale Regering rebelleerden tegen de Iraakse regering van Saddam Hoessein. Ik zocht mijn heil bij de linkse PUK. Het verbaasde me toen al dat de PUK en de KDP meer tijd en geld kwijtwaren aan het bestrijden en zwartmaken van elkaar, dan aan de strijd voor de bevrijding van Koerdistan. Zo probeerde de PUK de KPD in de schoenen te schuiven dat hun leider contacten onderhield met de staat Israël, en dwong op die manier de KPD weer veel tijd te besteden aan het ontkennen hiervan.
Ik was in een absurde situatie beland. Ik begreep niet waarom een Koerdische leider slecht zou zijn voor zijn volk als hij contacten met Israël onderhield. Dat had niets te maken met de bezetting van zijn grondgebied. Tegelijkertijd vonden beide partijen het volkomen normaal om contact te leggen met de regering van Saddam Hoessein. Ze behandelden ook de misdadigers van de regering, als die hen per toeval in handen vielen, met veel respect, en lieten ze weer vrij. Ze lieten de misdadigers die de scepter in de Koerdische steden zwaaiden met rust. Ik kwam al snel tot de conclusie dat de Koerden a priori een verloren strijd voerden en ik besloot de bergen te ontvluchten om elders te leven.
In Nederland zag ik de nazi-jager Simon Wiesenthal op de televisie. Ik beschouwde hem, ondanks zijn kleine postuur, slordige snor en grote oren, als een held. Hij had de concentratiekampen overleefd en stelde het jagen en berechten van de oorlogsmisdadigers als zijn enige doel in het leven. Met succes. Hij groeide uit tot een instituut. Ik kreeg grote sympathie en bewondering voor de man die onvermoeibaar zijn jacht voortzette. Ik was ook jaloers. Ik hoopte van harte dat hij ook op de Iraakse misdadigers ging jagen. Want de misdaden van het Iraakse regime jegens de Iraakse Joden waren nog niet verjaard.
Uit de grond van mijn hart wenste ik dat het Koerdische volk iemand als Simon Wiesenthal zou voortbrengen, een man met dezelfde moed, onafhankelijkheid, met dezelfde overtuiging en hetzelfde doorzettingsvermogen. Tegelijkertijd wist ik dat dit niet zou gebeuren. Het Koerdische volk zou nooit iemand als Simon Wiesenthal voortbrengen.
Je hoeft geen God te zijn om dat te weten, je hoeft er alleen de geschiedenis van de Koerden op na te slaan. Ze lieten en laten zich nog steeds misbruiken door hun onderdrukkers. Ze laten zich met gemak tegen elkaar opzetten. Dat euvel treft alle Koerden, zonder uitzondering, en in alle delen van Groot Koerdistan. En altijd zijn de vijanden van de Koerden de lachende derden.
Toen de Iraakse luchtmacht de Koerdische stad Halabdje in 1988 met chemische wapens bombardeerde, waarbij duizenden slachtoffers vielen, kreeg ik even hoop. Ik dacht: die ramp moet de Koerden verenigen, de ogen openen. Nee dus.
Inmiddels staat Hassan al-Majid terecht, alias Ali Chemicali, de bevelhebber over Koerdistan in 1988. Ali Chemicali, neef van Saddam Hoessein, werd door de Amerikanen opgepakt en aan de Irakezen uitgeleverd. Inmiddels is hij tot de galg veroordeeld.
De Amerikanen hebben nog meer misdadigers opgepakt en uitgeleverd. Een van hen heet Tariq Ramadan – niet de islamgoeroe, maar de piloot Tariq Mohammed Ramadan. Deze piloot was in dienst van de luchtmacht van wijlen Saddam Hoessein. Hij vloog op 16 maart 1988, samen met nog een paar piloten, de gifgasbommen naar het al eerder genoemde Halabdje. Hij kreeg er, uit handen van Saddam Hoessein, een heldenlintje voor.
Van februari 2005 tot oktober 2007 zat de oud-piloot in een speciale gevangenis in de Koerdische stad Sulaymania. Hij bekende betrokken te zijn bij de bombardementen. Ook wilde hij getuigen tegen de hoofdverdachte, Ali Chemicali. In december 2008 werd hij hiervoor opgeroepen.
De piloot verscheen niet bij de rechtbank. De Koerdische autoriteiten verklaarden dat hij op mysterieuze wijze was verdwenen. Een paar weken later, toen de druk op de Koerdische autoriteiten heviger werd, verklaarde het hoofd van de veiligheidsdienst dat de piloot was ontsnapt op weg naar het ziekenhuis. Maar er doken foto’s op waarop het hoofd samen met de piloot te zien was. De piloot was vrijgelaten en dit was verzwegen. Naar verluidt had de Iraakse president Jalal Talabani dit besloten. De veiligheidsman sprak dit bericht fel tegen. De president zou niets met de verdwijning te maken hebben.
Het bericht van de verdwijning leidde tot grote beroering onder het Koerdische publiek. De bewoners van Halabdje waren verontwaardigd en kondigden een demonstratie aan. De Koerdische regering verbood die.
De piloot woont met zijn gezin al ruim anderhalf jaar in Zweden. Onlangs zocht hij zelf de publiciteit, en gaf een interview, notabene aan een Koerdische mensenrechtenjournalist. De piloot beweerde onschuldig te zijn, zei dat hij op bevel van de president van Irak was vrijgelaten en dat hij op geen enkele manier betrokken was bij de bombardementen op Halabdje. Dat hij eerder zijn betrokkenheid had bevestigd, zei hij, had te maken met de martelpraktijken die hij in de Koerdische gevangenis had ondergaan.
Stel dat Tariq Ramadan onschuldig is. Waar zijn dan de andere drie piloten gebleven? Wie zoekt naar ze? Wie wil ze berechten? Waar zijn die andere oorlogsmisdadigers die in Koerdistan hebben gediend en duizenden slachtoffers hebben gemaakt? Wie gaat ze vervolgen? Worden ze überhaupt ooit vervolgd?
Ik weet het niet. Maar ik heb weinig hoop dat er ooit een Koerdische Simon Wiesenthal zal opstaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.