*

 

Peddelen en blijven drijven

Pauline Weseman − 08/04/09, 00:00

Het is een veelal gevaarlijke combinatie: peuters en water. Een cursus overlevingszwemmen moet driejarigen daarom leren zich te redden na een val in zwembad, kanaal of sloot.

  • Na een aantal lessen overlevingszwemmen krijgen peuters plezier in het peddelen in het water. (Werry Crone)

Wij hebben een peuter, Lola van drie jaar. Het wonderlijke aan peuters is dat ze alles precies anders doen dan jij verwacht. Het zijn ongeleide projectielen die je vaak net op tijd bij een kop hete thee vandaan trekt. Of kwijtraakt in een supermarkt en na een panische zoektocht, met het zweet op de rug, terugvindt bij de broodafdeling, waar ze gezellig keuvelt met de verkoopster.

De combinatie water en kinderen is voor mij bij uitstek reden voor stress. Het is leuk om in een waterrijke buurt te gaan wonen – totdat je kinderen krijgt. Ik herinner me dat Lola op haar driewieler vrolijk naar het glinsterende kanaal bij ons achter fietste. Op avontuur. Ik erachteraan. Wéér net op tijd en misselijk van de adrenaline. Wat nu als ik eens te laat ben?

Dus toen ik hoorde van de cursus overlevingszwemmen voor peuters – de eerste in Nederland – was ik er als de kippen bij. Tot dan toe was er alleen baby- en peuterzwemmen met liedjes en spelletjes. Leuk om te wennen aan water, leuk om samen te doen, maar om leren overleven gaat het niet. En zwemles begint pas met vier jaar, op z’n vroegst. Daartussen is niets.

Zes andere kinderen hadden zich ook opgegeven voor de proefcursus van twaalf lessen in zwembad Medicort in Utrecht. Enige voorwaarde is dat het kind niet te bang moet zijn.

Ook bij deze ouders speelde angst vaak een rol. Dorien Vos woont naast de Vinkeveense Plassen en ontdekte dat haar zoon Pim (3) ’helemaal niets deed’ toen hij in het water viel. „Hij weet gewoon niet wat hij moet doen.” Dieuwke van Kraaij maakte mee dat haar dochter Juulke (3) van de zomer in het water sprong en meteen naar de bodem zonk. „Ik zat ernaast en zag het gelukkig, maar je hoeft net een andere kant op te kijken en zo’n kleintje glijdt zo in het water en verdrinkt. Je hoort niets.”

Anja van Raam, interim manager bij Medicort en docent bij het Nationaal Platform zwembaden/NRZ, ontwikkelde de cursus en geeft de lessen. Zij introduceerde in 1978 ook het baby- en peuterzwemmen in Nederland.

In de eerste les wordt ons verteld dat survivalcursussen voor peuters in Amerika en Australië heel gewoon zijn, omdat daar veel privézwembaden zijn. Met verbazing kijken we naar filmpjes op YouTube van baby’s die zich in het zwembad laten vallen, naar de kant peddelen en eruit klimmen. De ouders applaudisseren. Weg gevaar, weg angst, weg paniek.

Dat willen wij ook. Maar kan het ook? Als ik naar Lola kijk, is ze nog zo fragiel en kwetsbaar. Is ze niet te jong? Laat ik me niet te veel leiden door mijn angst?

Komende lessen leren ook onze kinderen wat ze moeten doen als ze in het water vallen, horen we. Ze leren tien tellen te drijven op hun rug, zich om te draaien, naar de kant de trappelen en op de kant te klimmen. Dat leren trappelen is belangrijk, omdat bij een op de tien kinderen het trappelreflex ontbreekt. Die liggen stil in het water.

Ze krijgen zwempakjes aan met drijvers (kussentjes) erin. Dat zijn niet meer dan hulpstukken, want om boven te blijven, moeten ze zelf blijven trappelen. Soms krijgen de kinderen regenpakken aan om te voelen hoe het is om met kleding in het water te vallen. De meeste kinderen vallen namelijk in de herfst of winter ongezien in het water.

We mogen er als ouders niet bij zijn. Alleen de laatste tien minuten van de overlevingsles mogen we de leerresultaten bewonderen. Zwemles mag het officieel niet heten, want ze leren niet zwemmen.

De eerste keren betrap ik me erop dat ik Lola vanaf het kijkbankje te hulp schiet als het haar niet lukt om op de kant te klimmen. Ze verzuipt, schiet het door mij hoofd. Juf Anja spreekt me dan semi-bestraffend toe. ’Loslaten, laat ze het zelf doen, anders leert ze het niet.’ En zo krijg ik als ouder zelf ook les, in loslaten.

De eerste vijf keer vindt Lola het niet leuk. Het tijdstip blijkt ongelukkig gekozen, dinsdag tussen 13 en 14 uur. Er was geen andere tijd beschikbaar. Veel peuters zijn dan moe, een van de kinderen komt slapend aan op les. Een kwestie van wennen.

Lola vindt het ook ’eng in het diepe’, zegt ze. Terwijl ze voorheen eerder iets te veel een waterrat was. En als een peuter eenmaal zegt ’Ik wil niet’, weet je dat het een getrek en gezeul wordt naar het zwembad. Ze protesteert, treuzelt en huilt. Ook bij sommige andere kinderen zie ik protesten en angst. Een jongetje stopt daarom met de cursus.

Met de angst wordt speels omgegaan in de les. Met veel geduld en knuffels. Wie bang is om te duiken, gaat gewoon wat anders doen. Geen dwang. Het komt vanzelf, stelt juf Anja ons gerust, en dat komt het ook. Zo maken de protesten bij alle kinderen langzaam plaats voor plezier.

Bij Lola zie ik na zes weken een omslag. Ze is over haar angst heen en gewend aan het tijdstip. Ze krijgt er plezier in, kijkt ernaar uit: ’Gaan we morgen weer zwemmen? Jippie.’ Ze springt met gemak in het water. Laat trots zien hoe ze kan drijven – ’ga maar slapen’, zegt de juf. De zwempakjes gaan vaker uit, dan blijft het zwembroekje over.

Bij les acht peddelt ze als een hondje in drie tussenstops van juf naar juf naar de overkant. Dat was meer dan de cursus beloofde. We zijn verbaasd. Bij les negen oefenen ze voorzichtig de schoolslag – benen open, benen dicht – als voorbereiding voor het A-diploma. Want dat is de bedoeling, dat het peuterzwemmen de opstap wordt naar de zwemles. De schoolslag is motorisch nog te moeilijk voor peuters.

De laatste les is een feestje. Onze peuters tonen hun kunnen. Het ziet er nog steeds wat fragiel en onhandig uit. Maar dan zie ik – tegelijkertijd, in het ondiepe – alweer de volgende groep peuters van start gaan. Huilend klampen ze zich vast aan de zwemjuf. Dan pas zie ik het verschil. In het diepe zie ik Lola in zwembroek in het bad springen, lachend, zonder enige terughoudendheid.

Daar staan ze. Zes peuterbuikjes op een rijtje. Je had het ze niet gegeven, met hun kleine lijfjes en hun peuternukken, maar ze hebben zowaar leren overleven. Nu zijn wij het die applaudisseren.

Na de les is er een certificaat, snoep, limonade en een cadeautje. En er zijn trotse ouders. Gerustgesteld vooral. Nog niet geheel zonder angst, natuurlijk. Lola kan nog niet zwemmen, maar zal dat nu wel sneller leren. Als ze ’echt’ onverwacht in het ’echte’ koude water valt, is het nog maar afwachten wat ze gaat doen. Hopelijk herinnert ze zich dan wat ze heeft geleerd, dat ze naar de kant kan komen of kan drijven en hard om hulp moet roepen. In die extra gegeven tijd hebben wij haar wel opgespoord, hoop ik.

mailIcon print |