*

 

De drie woorden van het christendom

Willem Jan Otten − 30/05/09, 00:00

Willem Jan Otten verdiept zich aan de vooravond van Pinksteren in Paulus. De drie woorden waarop het christendom gebaseerd is, vloeiden voor het eerst uit diens pen. „Als je erover nadenkt, en je van de historische duizeling bekomen bent, dringt zich de gedachte op dat het geloof dat de wereld heeft veranderd op het weergaloze drijfzand van één bewustzijn rust.”

  •  (Trouw)
    (Trouw)

Morgen is het Pinksteren. Vrijwel altijd wemelt het in dit tijdeigen van de pluisjes, vliegende zaden en pollen en gevleugelde moeren. Dat is passend, want Pinksteren herinnert ons eraan dat de Mensenredder weliswaar onherroepelijk van de aarde verdwenen is, maar dat zijn geest zich, dankzij een soort mondiale ejaculatie, over ons vaardig maakt.

De beschrijving van deze gebeurtenis in Handelingen is plastisch en lichamelijk. Een vuur, warme wind, mensen die in tongen beginnen te spreken, ieder in zijn eigen taal, iedereen roept en zingt door elkaar en toch lijkt eenieder te begrijpen waar de ander het over heeft.

Het is een dichtersdroom, een soort Poetry International. En wat je er verder ook van mag denken, het is een evenement waarbij in principe iedereen, ongeacht kunnen, afkomst, sekse, of mate van reinheid, hoogstpersoonlijk en afzonderlijk één gedachte of denkbeweging deelachtig wordt. Het is, zou je kunnen zeggen, het feest van het universalisme.

Geen slecht moment om over de apostel Paulus te lezen. Onlangs verschenen twee boeken – van de Franse filosoof Alain Badiou en van de Nederlandse nieuwtestamenticus Patrick Chatelion Counet – waarin wordt nagedacht over hoe het kan dat het denken van deze ene man de overtuiging en de geloofspraktijk van zovelen is geworden. De boeken hebben geen apologetische bedoeling. Toch draaien ze om iets fascinerends: het winnen van zielen. Paulus bezat als geen ander de gave om grenzen tussen mensen te slechten.

Wie zich in hem verdiept stuit op een schijnbaar absurde vraag: Wie of wat was er eerder, Paulus of Pasen?

Het klinkt als een flaptekst voor een prettig paranoïde bestseller, ’The Paulus Enigma’, en het antwoord lijkt een open deur. Als er niet een man genaamd Jezus gekruisigd was, dan zou Paulus, toen nog Saulus, de aanhangers van die man niet hebben kunnen vervolgen. Want daarmee was hij volgens de overlevering bezig, toen hij, met een soort politionele volmacht van de Joodse religieuze autoriteiten op weg was naar Damascus. Hij was van plan om van ’de mensen van de Weg’, zoals de gevluchte Jezusgetrouwen heetten, het leven te vergallen, desnoods met geweld. Kort tevoren had hij een rol gespeeld bij de executie van Stefanus die, volgens de overlevering, had volgehouden dat de gekruisigde de Zoon van God was. Dus zou je zeggen: Pasen gaat vóór Paulus.

Literatuurtechnisch zit de zaak ingewikkelder in elkaar. We weten dat de dertien brieven van Paulus eerder geschreven zijn dan alle andere delen van het Nieuwe Testament. De Evangeliën zijn pas na de dood van Paulus samengesteld. Het boek Handelingen, waarin het relaas van Paulus’ bekering en werken staat, dateert zelfs van na 70, dus van na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem. Tussen Pasen en het verschijnen van de eerste Evangeliën verstreek er minstens één generatie. En we kunnen veilig aannemen dat de schrijvers de brieven en opvattingen van Paulus kenden. Het snijdt dus hout als je zegt dat Paulus vóór Pasen komt. Pasen is immers niet alleen de kruisiging – het is vooral dat de Gekruisigde is verrezen.

Deze notie, of perceptie, of, zoals de Franse filosoof Alain Badiou zou zeggen, deze waarheid, heeft Paulus als eerste onder woorden gebracht. Dat de Verrijzenis als verhaal de kern uitmaakt van de Evangeliën en Handelingen wil helemaal niet zeggen dat zij als waarheid al bestond toen Paulus, ongeveer drie jaar na Jezus’ dood, het verblindende licht zag. En ook is niet gezegd dat Paulus ogenblikkelijk zeker wist „dat de Heer verrezen was”.

Het is een verrukkelijke fictie om hem terstond na zijn zonnesteek, of epileptische aanval, of psychose – om enkele diagnoses van argwanende Paulusvorsers te noemen – te laten beseffen dat de Heer dan dus was opgestaan. Nogmaals, dat is een verhaal van na 70, geboekstaafd door iemand die er niet bij is geweest. Een enscenering. Over het grote evenement van zijn leven zegt Paulus in zijn brieven zelf bijna niets.

Met andere woorden: zoals alles van waarde is ook de christelijke religie het resultaat van een verhaspeling van oorzaak en gevolg, van begin en uitkomst. De uitkomst is: het ongelooflijke besef dat Christus is verrezen en de dood overwonnen heeft. En deze uitkomst heeft de niet meer uit het collectieve bewustzijn uit te wissen voorstelling van een uit zijn graf wandelende gestorvene gegenereerd. En alles wat we ervan kunnen weten is dat dit is opgekomen in het (zeldzaam onsystematische) brein van iemand van wie moet worden aangenomen dat hij Jezus niet gekend heeft en Pasen niet meegemaakt.

Paulus is nergens bij geweest.

Daarom noemt hij zichzelf de ’misgeboorte’. Te laat is hij, het nakomertje van God.

Toch is het voor het eerst uit zijn pen gevloeid: Christus is verrezen.

Als je erover nadenkt, en je van de historische duizeling bekomen bent, dringt zich een gedachte op. Het geloof dat de wereld heeft veranderd – geen christenverachter die het dáármee niet eens is, waarom zou hij anders Christus verachten – berust op het weergaloze drijfzand van één bewustzijn.

Het heeft weinig zin om je af te vragen wat er zonder Paulus van Jezus en zijn onderricht geworden zou zijn. Christus is verrezen, en Paulus is de eerste beseffer, en om deze drie woorden is het hele geloofsstelsel gaan draaien. Er is, ook na tweeduizend jaar apologetisch vernuft, geen manier gevonden om te bewijzen dat Jezus heus uit de dood is opgestaan.

We moeten het geloven, zo we kunnen. Weten kunnen we het niet. Ook Paulus doet in zijn brieven geen enkele poging tot weten. Hij maakt het zelfs nog erger en drijfzandachtiger, hij zegt: als Christus niet verrezen is, dan is alles voor niets geweest, dan ben ik de beklagenswaardigste van alle mensen.

En zo is het. Als het niet waar is, is het christendom een hilarische slag in de lucht. Precies wat ze zeggen.

„Paulus bracht in zijn eentje een culturele revolutie op gang waarvan wij vandaag nog steeds afhankelijk zijn.” Zo formuleert de al genoemde Alain Badiou het in zijn boek dat simpelweg ’Paulus’ heet. Badiou is geen theoloog en afficheert zichzelf als atheïst. Zijn boek heeft een vreemde uitwerking. Een filosoof vertelt je waarom de filosofie machteloos staat tegenover de waarheid. Tegelijkertijd vertelt hij, ongelovige, wat geloofswaarheid vermag. En dit alles zonder op theologische wijze in te gaan op wat het geloof gelooft.

Badiou noemt Paulus bij herhaling, en met diepe sympathie, ’de geniale anti-filosoof’. Hij rekent af met iedereen die in Paulus een religieuze dwingeland of een alle vooruitgang blokkerende godsdienstfanaat ziet, speciaal met Nietzsche. Het boek heeft een postmodernistische agenda. Badiou wil iets zeggen over ’waarheid’. Die kan volgens hem nooit een kwestie van weten en kennis zijn, ook niet van herinneren, maar van al verkondigend trouw blijven aan een beseffende gebeurtenis, een ’evenement’.

Trouw blijven aan iets wat in je opkomt, en tegen alles ingaat wat je voorheen wist, en niet beredeneerd of gelegitimeerd kan worden – dat fascineert Badiou. Niet zozeer de gedachte, maar de trouw daaraan is zijn onderwerp. En hij maakt gaandeweg duidelijk dat deze trouw van Paulus een vrij mens maakt. Iemand die, om zijn eigen woorden (in de Galatenbrief) te spreken, „in de vrijheid stond waarin Christus u gelaten heeft”.

Badiou gaat neuriënd en schouderophalend voorbij aan de discussie waaraan moderne geloofscolumnisten en filmers verslaafd zijn: kan Jezus heus bestaan hebben? Was hij bezig met het stichten van een religie? Hij was Jood, kan hij zich dan Zoon van God genoemd hebben? Kan hij uit de dood zijn opgestaan?

Badiou gelooft niet, ook niet in ’Christus is verrezen’, en toch laat hij zijn hele betoog draaien om Paulus’ trouw aan deze woorden. En ik vraag me af of er een hedendaagse theoloog is die me dichter bij de mateloze betekenis van deze woorden zou kunnen brengen dan Badiou heeft gedaan.

Volgens Badiou beweert Paulus met de drie woorden niets anders dan dat Christus in hem, Paulus, is verrezen.

Dit is een besef. Een ’subjectieve en singuliere’ denkbeweging. Het draait om een onbewijsbare en onuitsprekelijk mentale gebeurtenis die zich welbeschouwd al voltrokken had toen het Paulus daagde dat het gebeurde. De vogel was gevlogen, of, om een oudtestamentisch beeld te gebruiken: hij was al voorbij toen hij te bespeuren was. Paulus beschikte na de seconde van licht niet meer over het licht en niet meer over de stem die volgens de overlevering ’Saulus, waarom vervolg je mij?’ had gesproken – hij stond filosofisch of wetenschappelijk of kentheoretisch gesproken ogenblikkelijk met lege handen. Het enige wat hij had was: de bewering. „Als dat Christus in mij, Paulus, is verrezen.”

De schrijver van Handelingen heeft er een pakkend verhaal van gemaakt. Ter aarde storten, stem horen, drie dagen blind, de schellen van de ogen. Hier heeft Paulus in zijn brieven niet aan meegedaan. Hij heeft vooral gezegd: als ik, nakomer, door deze beseffende gebeurtenis bewogen ben, dan kan ieder ander erdoor bewogen worden. Met andere woorden: hij is niet gaan redeneren, niet gaan psychologiseren, niet gaan filosoferen, maar gaan verkondigen. Als ik, dan iedereen.

En al verkondigend radicaliseerde hij zijn besef tot: door deze mentale gebeurtenis ben ik pas echt gaan leven – na jaren een levende dode te zijn geweest. En dus is iedereen in potentie vatbaar voor deze verlossende werking. Hij was immers op weg geweest een steeds verstokter en gewelddadiger hater te worden. Door de mensen van de Weg uit te willen roeien, roeide hij zichzelf uit. En als dit besef mij kan dagen, en in bezit nemen, dan kan het iedereen dagen en in bezit nemen.

Dit noemt Badiou – die als elke filosoof een hang naar jargon heeft – Paulus’ universalisme. Als ik bewogen kan worden door de verrezen Christus dan is er geen fundamenteel onderscheid meer tussen de mensen. Iedereen is in potentie aanspreekbaar. Iedereen zou door de bocht kunnen. Christus kan in ieder afzonderlijk opstaan.

Het subjectiefste, singulierste – een stem die zegt ’Ik, Jezus, leef’ – wordt het universeelste. En dat niet op de wijze van een wetenschappelijk inzicht dat, eenmaal geverifieerd en onderzocht, een onweerlegbaar feit wordt dat je met je volle verstand moet accepteren, maar op de tegenovergestelde wijze. Juist door trouw te blijven aan het besef dat het géén feit is, géén bewijsbare theorie, géén natuurwet – juist daardoor, en pas dan, kan de waarheid in iedereen, altijd en overal, werkzaam zijn.

De waarheid van Christus heeft juist daarom zo’n universele uitwerking, omdat zij niet de kracht van wet of wetmatigheid heeft, maar van iets anders, iets onvergelijkelijks, iets wat alleen vergeleken kan worden met, ja met wat? Misschien met de Beatrice-blikwisseling met een vrouw en weten: zij bestaat dus, maar ze is alweer verdwenen?

Dat is het woord. Uitwerking. Paulus werd, zoals hij het zelf noemt, bewerkt. De waarheid is een werkzaamheid. En dus subjectief, je kunt er niet al redenerend objectief toe komen, je kunt alleen maar laten weten dat het werkt.

Een dichter zou hier kunnen zeggen: dit is dus poëzie. Badiou noemt Paulus dan ook liefkozend ’denkerdichter’. Een gedicht is een besef dat een lezer doet beseffen: er is niet ’iets’ wat het gedicht uitdrukt, poëzie bewerkt poëzie, en dat is zijnsbesef.

Badiou komt tot formuleringen als: „Waarheid existeert niet, maar insisteert.” En natuurlijk citeert hij gretig Paulus: „Er zijn geen Joden en Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Jezus Christus.” En Jezus Christus, dat is de werkzaamheid die ieder afzonderlijk mens kan bevrijden van de ’wet’. Van dat wat altijd maar weer maakt dat we verkeren ’in de klauwen van iets’. Van een ’farizeïsche’ dwang. Van het determinisme van het huidige biologische wereldbeeld. Van een geloofspraktijk die ermee dreigt dat we in een hiernamaals gestraft zullen worden voor onze zonden. Van een hedonisme dat eist dat we hier en nu gelukkig moeten zijn. Van een psychologie die voorschrijft dat we seksuele begeerte niet mogen onderdrukken, op straffe van onvolwaardigheid.

Als je er over nadenkt dan zie je hoe wettig en straffend ook in een liberale modern-emancipatorische samenleving de mensbeelden zijn. Ouderdom en aftakeling als straf voor ongezonde leefwijze, broeikaseffect als vergelding voor verteerdwang, Twin Towers als afrekening met babylonische hebzucht. Niemand gelooft in God, toch zweeft Hij toornend en wrekend boven onze wateren, en Hij maakt ons futieler en futieler. Wij hebben de hel niet nodig om er toch in geworpen te worden.

Badiou merkt op dat „seksualiteit het woord liefde heeft uitgewist, cultuur het woord kunst, techniek wetenschap, beheer politiek”. Steeds verder en subtieler menen we onszelf te kunnen beheersen, steeds grondiger onderwerpen we ons aan de wetten, de spijswetten en voorschriften van onze rede. Het is een vicieus afkoopsysteem, waarbij de tijden van Luther, met z’n aflaten, verbleken. Steeds moeilijker is het om, in de eeuw van de opiniepeilingen en de lifestylevoorschriften, te opereren vanuit een innerlijke waarheid, uit een authentiek vertrouwen. Welbeschouwd maken we het onszelf steeds onmogelijker om te sterven, want voor we dood zijn hebben we onszelf al dood en onvrij en vooral: doodsbang gedacht.

In Badiou’s boek rijst Paulus op als de tegengestalte van dit alles. Dankzij Paulus’ trouw aan de werkzaamheid, die op weg naar Damascus begon, kon de mensheid begrijpen dat iedereen voor de waarheid vatbaar is – en dus dat er, ’als het er om gaat’, geen verschillen zijn. Hoezeer de waarheid in ieder afzonderlijk ook op haar eigen, afzonderlijkste wijze werkzaam is, sinds Paulus kunnen wie niet anders dan zeggen: er is tussen slaaf en vrije man, Jood en Griek, man en vrouw, homo en hetero, melaats en gezond, gevestigd burger en outcast geen objectief verschil meer.

Het is nog altijd het beste wat we kúnnen zeggen, zelfs al is het niet de praktijk van tweeduizend jaar christendom geweest. Het is tegelijkertijd ook het moeilijkste, het verontrustendste, want het koesteren van verschillen biedt houvast en veiligheid. Altijd weer vervallen ook mensen van de Kerk in wettigheid, in bokken en geiten scheiden, in reinheidsdenken.

Precies dat waar de Kerk zich de behoedster van noemt, is oneindig veel groter dan de Kerk: de Verrijzenis, in iedere mens afzonderlijk, gesymboliseerd en beleefd door de Eucharistie.

De Kerk is een kloek, broedend op een ei dat groter is dan zij. Overigens was dit universalisme ook werkzaam toen Jezus op de aarde rondwandelde en zich, volgens de Evangeliën, mengde met onreinen, outcasts, zelfkanters, collaborateurs en hoeren. Precies dat, mag je aannemen, was Saulus voor hij Paulus werd een van de grote doornen in het oog.

Er is nog een meeslepend boek over Paulus verschenen, van de Nederlander Patrick Chatelion Counet. Hij is kerkjurist en kersvers hoogleraar ’Bijbel in de Nederlandse cultuur’ aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn boek wordt wat Badiou ongeveer met ’universalisme’ bedoelt ’gastvrijheid’ genoemd. Opnieuw een verrassend woord, dat vloekt bij de massieve vooroordelen die tegen Paulus in omloop zijn geraakt. Zoals dat hij de aartsvader van het antisemitisme is. Van de seksbevreesdheid. Van de homohaat. Van de misogynie van de Kerk. Van eigenlijk alle vormen van stigmatiserend denken. In deze beeldvorming is Paulus zo mogelijk nog benarder dan Geert Wilders en Tariq Ramadan samen.

Er is speciaal onder twintigste-eeuwse gelovigen een neiging ontstaan om christelijk te willen zijn minus Paulus. Wanneer de kerken het je moeilijk maakten om ’nog’ christelijk te zijn, kwam het door Paulus.

„Tegen zoveel vooroordelen is maar één kruid gewassen: de tegenaanval”, begint Chatelion Counet zijn boek, dat hij ’Genie of misgeboorte’ heeft genoemd. En vervolgens draait hij in zeven vitale en onacademisch onbekommerde hoofdstukken (elk één vooroordeel behandelend) de zaken om, en komt hij uit op een Paulus die, jawel, tegen het christendom verdedigd moet worden. Of in ieder geval: tegen de farizeïsmen van de Kerk. En tegen Luther.

Veel meer dan Badiou legt Chatelion Counet de nadruk op wat er al gedacht en geloofd werd vóór Paulus aan het geloven sloeg. Chatelion Counet doet dat verhelderend. En ondanks dat hij stevige polemieken aangaat, is zijn boek een proeve van verzoenend denken.

Chatelion Counet brengt enkele lievelingen om zeep. Zo kun je volgens hem welbeschouwd niet spreken van een bekering in Paulus’ geval. „Paulus is nooit bekeerd. Hij beschouwde het christendom als voltooiing van het jodendom.” Er is na Damascus geen sprake van geweest dat Paulus zijn jodendom wilde uitruilen tegen een andere religie, genaamd ’christendom’. „Zo kon Paulus niet denken”, schrijft Chatelion Counet. De scheiding der wegen tussen de Joden van het oude verbond en de Joden die in de Verrijzenis gingen geloven stamt pas van na de Tempelverwoesting in 70, twintig jaar na Paulus’ dood, toen er door de Romeinen een eerste Holocaust tegen de Joden in werking was gezet.

Toch heeft het evenement onderweg naar Damascus in Paulus ontegenzeggelijk een verschil met zijn vorige zelf bewerkstelligd. Het licht en de stem hebben hem ontwapend. De man met de volmacht om te vervolgen, die wet en wapens aan zijn zijde had, komt verblind, hulpeloos en timide in Damascus aan.

Meer dan Badiou roept Chatelion Counet hier een gestalte op en wordt Paulus iemand van vlees en bloed, van wie je, een beetje bevreesd, begint te houden. Paulus levert zich bevend uit aan degenen die hij zou uitroeien. Mensen die doodsbang voor hem waren. Ook zij waren ongewapend.

Paulus’ nieuwe leven begint met lege handen. Hij is, zou je kunnen zeggen, ontwapend door een machteloze macht. En zo zal het blijven tot zijn laatste brief, vermoedelijk twee jaar voor zijn dood in Rome: hij heeft zonder volmacht van een religieuze autoriteit en eigenlijk altijd alleen geopereerd, voortdurend te gast bij nieuwe christelijke gemeenschappen. Een gast, gedoemd om afhankelijk te zijn van gastvrijheid. Het is treffend dat in dat woord ’vrijheid’ verscholen gaat. Paulus hechtte aan zijn financiële onafhankelijkheid, en is altijd praktiserend tentenmaker gebleven – een beroep waarvoor je alleen enkele stevige naalden, een speciaal mesje en sterk draad nodig hebt. Voor het overige leverde hij zich uit, aan iedereen die hem opnam.

Net als Jezus heeft hij zich niet gelegitimeerd, merkte paus Benedictus op, toen hij nog Ratzinger was. Ongenood en ongevraagd rolde hij door het Middellandse Zeebekken. En net als Jezus is Paulus de weg van de vernedering gegaan. Paulus noemt het zelf: kenosis. Ontlediging.

Chatelion Counet wijdt een sterk hoofdstuk aan dit aspect van Paulus’ denken en doen. Het gaat over de kenosis van het gebed. Het is precies waarover Badiou’s boek niet gaat, of, door zijn filosoferende opzet, niet kán gaan. Toch zijn de onvergetelijkste passages in Paulus’ brieven de erupties van een biddend brein. Ook daarom zou het goed zijn als iemand eens het essay schreef over de dichter Paulus, want er is tussen grote poëzie en gebed een verwantschap, ze zijn broer en zus van het bestaansbesef. Dat essay zou duidelijk maken wat de Australische dichter Les Murray in zijn ’Poetry and Religion’ beweert: dat religie een groot gedicht is, en een gedicht een kleine religie.

Ik moest sterven, schrijft Paulus, opdat Christus in mij zou leven. We kunnen ’sterven’ niet letterlijk genoeg nemen. Op weg naar Damascus was Paulus bezig een soort zelfmoordenaar te worden, een omzeepbrenger van de liefste waarheid omtrent zichzelf. Met het besef van de Verrijzenis van Christus in hem valt er een last van zijn schouders – de angst voor de dood als straf voor de onwettigheid is verleden tijd. „Niet ik leef, maar Christus leeft in mij.” Ik ken geen krachtiger poëzie. Ze is niet ongedaan gemaakt door eeuwen verwaterende geloofstaal.

Paulus lezen is je Paulus aantrekken, en intussen wemelen zijn brieven van de tegenstrijdigheden. Een sluitende leer eruit opkoken is onmogelijk, en zelfs strijdig met de geest ervan. Chatelion Counet argumenteert scherp en gepassioneerd tegen eenieder die Paulus vastpint op uitspraken die vrouwen, homo’s, joden, genieters van seksualiteit, de zekerheid hebben gegeven dat zij niet welkom zijn in het geloof.

Zo kunnen we lezen dat Paulus „niet zomaar vrouwvriendelijk is, hij is revolutionair bevrijdend”. En: „Vandaag de dag zullen niet veel gelovigen in staat zijn zo radicaal hun huis op te geven als Paulus deed, en zich van de ballast van hun geloof te ontdoen teneinde onvoorwaardelijk gastvrijheid aan te bieden.” De vrijheid die hij ervoer toen Christus in hem verrees, was fundamenteel, en om die bevrijdende werking gaat het – Chatelion Counet noemt Paulus een ’opensteller’.

Hier klinkt Badiou mee. Die vraagt zich af of de moderne tijd verwikkeld is „in een zoektocht naar een nieuwe militante figuur”. Met militant bedoelt hij iemand die zijn waarheid leeft en verkondigt en de wereld dusdoende inspireert en overtuigt. Het enthousiasme voor Obama tijdens de onvergetelijke verkiezingsrally lijkt Badiou gelijk te geven – er wordt hevig naar een dergelijk verzoenend en gastvrij iemand verlangd, maar het is een illusie te denken dat de zoektocht met Obama voltooid is.

Het probleem is dat dat wat we zoeken ons vreemder is dan ooit. Het is moeilijk om niet ook bang te zijn voor Paulus. Het is moeilijk om de dood van het weten wat wij ’van nature’ zijn – levensverzekerden en toch gokverslaafden – niet te verkiezen boven de uitlevering aan het werkelijk ontwapenende evenement.

De vrijheid van Paulus, met zijn overgave aan zijn ontlediging, blijft ongepast en verontrustend. Een wereldrevolutionair met lege handen. Een eenpersoons-Pinksteren. Een zeer vreemde, ongemakkelijke gast.

Badiou zegt het: we zijn onverminderd afhankelijk van Paulus. Zijn tijd moet nog komen. Het is van groot belang om deze moeilijke, menselijke, mannetjesputtende gestalte onbevangen onder ogen te komen. Alain Badiou en Patrick Chatelion Counet hebben dat gedaan, en uit hun werk spreekt iets waar de tijdgeest het hondsmoeilijk mee heeft: trouw.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />