*

 

Pijnpunten van het Nationaal Museum

Sofie Cerutti en Seije Slager − 09/06/09, 00:00

De Tweede Kamer discussieert deze week opnieuw over het Nationaal Historisch Museum. Het debat – dat in 2001 begon – is verhit en verward geraakt. Eigenlijk lopen er vijf discussies door elkaar heen. Trouw belicht de pijnpunten.

  •  (Pieter Geenen)
    (Pieter Geenen)

Waar moet het museum komen?

Als het aan initiatiefnemer Jan Marijnissen van de SP had gelegen, was het Paleis op de Dam ontruimd voor het Nationaal Historisch Museum. Een centrale en symbolische locatie in de hoofdstad. De andere initiatiefnemer, in 2006 nog voorzitter van de CDA-Tweede Kamerfractie, had een voorkeur voor Den Haag.

Toch liet minister Plasterk in 2007 ook Arnhem meedingen. Hij gunde die stad de eer, op basis van een plan waarin het Nationaal Historisch Museum zou samenwerken met het Openluchtmuseum. Die samenwerking is inmiddels door de directie van het Nationaal Historisch Museum eenzijdig opgezegd. De discussie gaat nu over de vraag of Plasterk destijds koos voor de stad Arnhem, of voor het plan van Arnhem.

Marijnissen, die ook met Den Haag nog wel had kunnen leven, was ontstemd. De keuze viel op Arnhem omdat de kinderen van Plasterk daar graag naar de dierentuin gaan, bromde hij in het Historisch Nieuwsblad.

Er stak natuurlijk meer achter. Vaak is de keuze voor Arnhem gezien als een keuze voor de provincie, tegenover de Randstad. Dat is deels waar. Maar je kunt het nog preciezer formuleren. Er was lange tijd erg veel weerstand tegen een ’nationaal’ historisch museum, en de samenwerking met het Openluchtmuseum diende ook om die critici te paaien.

Wat is het doel van het museum?

Jan Vaessen, directeur van het Openluchtmuseum, gold als één van de prominentste critici. Hij vertelde aan iedereen die het wilde horen dat een Nationaal Historisch Museum, net als een nationale canon, een ’heel gevaarlijk’ idee was.

Hij bleek niet de enige. Ook andere prominenten, zoals de Rotterdamse historica Maria Grever, maakten zich zorgen dat het museum slechts één enkel top-down-verhaal zou vertellen. Terwijl er over Nederland nu juist zoveel verschillende verhalen te vertellen zijn.

Het doel van Marijnissen en Verhagen, toen ze pleitten voor een historisch museum, was om Nederland historisch besef bij te brengen. Aan de hand van een eenduidig verhaal. En op een centrale locatie.

Het doel van Vaessen, toen hij zijn bezwaren tegen het museum ineens liet varen, en meeschreef aan het winnende ontwerp, was waarschijnlijk om die centralistische boodschap wat af te zwakken: ’If you can’t beat them, join them’.

Van wie is het museum?

De keuze voor Arnhem bleek echter geen keuze voor het plan van Vaessen. De twee jonge directeuren, Erik Schilp en Valentijn Byvanck, die de plannen vorm moeten geven, gingen op geheel eigen wijze aan de slag. Wij zijn de museumprofessionals, redeneren ze, de politiek moet zich nu een beetje terughoudend opstellen en zich niet met elk detail gaan bemoeien.

Maar ook binnen de museumwereld is hun aanpak omstreden. De modernisering die de twee directeuren in het Zuiderzeemuseum en het Zeeuws Museum doorvoerden, gaat sommigen te ver.

Behalve een conflict met de politiek speelt er dus ook een generatieconflict. Het Historisch Nieuwsblad voerde stevig campagne tegen de directeuren: zo liet het blad ’anonieme medewerkers’ van het Zuiderzeemuseum aan het woord, die vermoedden dat Schilp daar met de bezoekerscijfers had gesjoemeld.

Museumveteranen als Jan Vaessen vinden in hun verzet ineens politici als Marijnissen aan hun zijde, al is dat een gelegenheidscoalitie. Veel politici vinden: dit museum is een initiatief van de politiek, dan mogen we toch wel ingrijpen als men zo ver van het concept afwijkt dat wij het niet meer herkennen?

De verwevenheid tussen politiek en museum is hoe dan ook een gegeven. VVD-Kamerlid Atzo Nicolaï is voorzitter van de raad van toezicht van het Nationaal Historisch Museum. Het Openluchtmuseum heeft inmiddels een eigen politiek kanon in stelling gebracht: bestuursvoorzitter Nout Wellink is ook CDA-prominent en president van De Nederlandsche Bank. Hij bemoeit zich steeds nadrukkelijker met de discussie over het Nationaal Historisch Museum.

Hoe wordt het museum ingericht?

Marijnissen wil een chronologische indeling, liefst op basis van de canon, omdat Nederlanders ’geen tijdbalk meer in hun hoofd hebben’. Hij hekelt de vijf thematische ’werelden’ die Schilp en Byvanck als uitgangspunt nemen: de inmiddels spreekwoordelijke ’postmoderne hutspot’.

Frits van Oostrom, opsteller van de Canon van Nederland en lid van de raad van toezicht van het Nationaal Historisch Museum, vindt zijn canon minder heilig dan veel politici. Wacht eerst eens tot er definitieve plannen liggen, voor je van alles gaat roepen, zegt hij. Dan blijken die plannen misschien helemaal zo gek nog niet.

Moest dat museum er wel komen?

Veel andere musea vonden van niet. En vinden nog steeds van niet. Zo had het Rijksmuseum in Amsterdam eigenlijk zelf plannen om een soort nationaal historisch museum te worden. Die oude tegenstelling kan weer oplaaien als het Nationaal Historisch Museum straks een eigen collectie bij elkaar wil krijgen. Het Rijksmuseum zal zeker niet staan te juichen als het straks stukken aan het Nationaal Historisch Museum moet afstaan. We zijn, kortom, nog niet klaar met de discussie.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />