*

 

Een moestuin voedt de wereld niet

Kees de Vré − 30/05/09, 00:00

Overschakelen op lokaal verbouwd voedsel is een sympathiek, maar misleidend idee, vindt Louise Fresco. Waar halen we rijst vandaan? En kunstmest kunnen we echt niet missen.

  • (FOTO ANP)
  • Louise Fresco. (FOTO PATRICK POST)

Michael Pollans felle aanklacht tegen de industriële voedselketens en de gevolgen daarvan voor consumenten, milieu en dieren, heeft de laatste jaren vele tongen losgemaakt. Hij is overigens niet de enige en zeker niet de eerste met zo’n stellingname, maar zijn on-Amerikaans serene beschrijving van die ketens en de destructieve gevolgen van hun werkwijze kwamen kennelijk op het juiste moment. Het besef dat het anders moet dringt immers steeds meer door en Pollan geeft welsprekend uiting aan deze roep .

Bij Pollans bezoek aan Nederland, half februari, voor een workshop en interviews, beschrijft hij nog eens zijn alternatief: een kleinschalige, regionale polycultuur. Geen vele duizenden vierkante kilometers monocultuur van maïs of soja, maar op een overzichtelijk gebied roterende oogsten en een uitgekiende kringloop van koeien, kippen, varkens en grasland. Waar Pollan op wijst is een duurzame vorm van landbouw die het multifunctionele gebruik van de natuur voorop zet – voedsel, werk, landschap en biodiverstiteit.

Een aantal Wageningse landbouwwetenschappers liet na de workshop weten toch wel geraakt te zijn door zijn samenhangende aanpak. Daarmee geven ze en passant toe dat zij als landbouwexperts alles weten van hun eigen vierkante centimeter onderzoeksgebied, maar nooit bij elkaar over de schutting kijken. In Resource, het blad van de Wageningen Universiteit, van 26/2/09 zegt ir. Onno van Eijk: „Wij zijn als onderzoekers voortdurend de deelschakels van de voedselproductie aan het optimaliseren. Als we naar een varken kijken, richten we ons op de maximale groei van het varken – de rest is input en output. In de polycultuur van Pollan gaat het om de totale output van een voedselsysteem. Dat maakt het niet gemakkelijker, want de kennis die we dan nodig hebben is veel complexer. We moeten op een andere manier het optimum zoeken om bij te dragen aan de grotere vraagstukken van volksgezondheid en energievoorziening.”

Pollans benadering stuit echter ook op kritiek. Een van zijn felste critici is Louise Fresco, hoogleraar duurzaamheid aan de Universiteit van Amsterdam. Deze landbouwexpert en voormalig topvrouw bij de FAO (Voedsel- en landbouw organisatie van de VN in Rome) noemt Pollan ’een sympathieke, misleidende goeroe’. „Ik vind zijn intenties goed. Voedsel staat weer centraal op de agenda en krijgt daarmee de aandacht die het verdient. Maar ik vind hem tevens misleidend. Hij wil terug naar een soort schaakbordlandbouw: kleinschalige gemengde bedrijven zonder kunstmest waar dieren het land bewerken. Dat is wetenschappelijk gezien onzin. In de Midwest van de VS is in de winter het land nu eenmaal zes maanden per jaar kaal. Dan kan er niets groeien. Die kleinschaligheid lijkt sympathiek, maar het appelleert mij te veel aan romantische plaatjes van koeien in de wei. Dat ondermijnt zijn geloofwaardigheid.”

Bovendien, zegt Fresco, kun je met die kleinschalige benadering niet de grote massa voeden. Amsterdam voeden met boerenbedrijven in Noord-Holland is al onmogelijk, laat staan echt grote steden als Londen of Mexico City. „Mijn eerste zorg daar is goedkoop voedsel voor al die miljoenen. De kritiek uit Europa en Amerika is wat makkelijk.”

Fresco benadrukt dat zij Pollans zorg over de stand van zaken in de voedingsketens deelt. Ze verwijst daarbij naar haar boek ’Nieuwe Spijswetten’ waarin zij constateert dat er een kloof is ontstaan tussen wat economisch en technologisch mogelijk is en de morele basis van ons handelen.

„Toch vind ik zijn voorstelling van zaken niet alleen romantisch, maar deels ook demagogisch. Eet niet wat je grootmoeder niet kent, stelt hij. Dat is absurd, dan kun je ook geen kiwi meer eten. Wel is het verlies van samen eten een groot probleem. Eten is meer dan alleen de maag vullen, het is ook cultuur. Pollan wijst daarop en verpakt zo zijn boodschap goed, maar de echte oplossing ontbreekt. Zijn duurzaamheid blijft te veel aan de oppervlakte.”

Duurzaamheid kan niet bereikt worden door onder andere kunstmest van de boerderij te verbannen, stelt Fresco. „Door het gebruik van kunstmest is de landbouw erg efficiënt geworden. In Nederland heeft dat geleid tot meer graan met dezelfde hoeveelheid kunstmest. Er is geen toekomst zonder kunstmest. Het wordt ook niet schaars, er is immers genoeg stikstof voorhanden. Het moet alleen anders gemaakt en anders gebruikt worden, selectiever en efficiënter. Er kunnen weinig gebieden zonder kunstmest. Anders is de opbrengst te laag en wordt de grond op den duur uitgeput. Nederland met zijn rijke zeeklei zou een tijdje zonder kunnen, maar dat kan lang niet overal.”

Volgens Fresco zit duurzaamheid inderdaad deels in kortere ketens, „maar ook in grotere efficiëntie, als het gaat om gebruik van hulpbronnen als water en kunstmest. Pollan wil een ander gedrag, een andere mentaliteit. Wat is de rol van de overheid in zijn visie? Die wordt weinig benadrukt. Ik zou graag een nationale en internationale voedselpolitiek zien, maar de politiek blijft in gebreke. Dat is verbijsterend. Voeding en landbouw zijn nog steeds erg gescheiden grootheden. Dat samen zien is al een deel van de oplossing. Klink en Verburg moeten meer samen praten.”

Ook noemt Fresco Pollans verzet tegen de voedingswetenschap deels terecht. „Er worden vele allianties met het bedrijfsleven gesloten, met soms bedenkelijke gevolgen. Maar zet daarmee niet alle wetenschap overboord. Op het gebied van de hygiëne en voedselsamenstelling is grote vooruitgang geboekt. We zijn groter en gezonder dan ooit. Zijn aanklacht tegen bepaalde menu’s is misleidend. Sommige dingen uit het westerse en vooral Amerikaanse menu zijn inderdaad een uitwas, maar gooi daarmee niet het kind met het badwater weg.”

Ondanks haar kritische houding ten opzichte van kleinschaligheid in de landbouw verwerpt ze de hang naar lokale landbouw niet. „Het spreekt me wel aan, maar het blijft een beperkte optie. Zo’n tuintje in het Vondelpark is best leuk, maar levert geen sinaasappels of rijst of tarwe op. Daarnaast is er de landbouw in groene stroken rondom de stad. Dat is voornamelijk tuinbouw. Ik vraag me af of je daar de mensen voor krijgt. Het is zwaar en onderbetaald werk. Arbeid in de landbouw is lastig op te lossen. Die urbane landbouw heeft toch een hoog etalagegehalte. Dan is er nog de voedselteelt op bedrijfsterreinen. Dat is kansrijk. Een varkensflat boven een parkeergarage of kassen op daken van fabrieken waarbij de warmte naar woningen gaat. Dat is een serieuze optie, een hoog-industriële en gesloten cyclus. Maar de Nederlandse consument accepteert dat niet. Dus moet je terughoudend zijn. Op de lange termijn is het een goede oplossing. In China doen ze het ook, maar daar zijn ze minder teerhartig.”

mailIcon print |