Aan de vooravond van de 65ste herdenking van D-Day, volgende week zaterdag, verschijnt vandaag wereldwijd het gelijknamige boek van de Britse historicus Antony Beevor. Hij beschrijft op grond van talloze getuigenissen tot in detail de gebeurtenissen van 6 juni 1944 en de daarop volgende dagen tot aan de inname van Parijs door de geallieerden, eind augustus. „Er was veel meer ongebruikt materiaal in de archieven dan ik had verwacht.”
Commandant James Hill van de Britse 3de parachutistenbrigade had op de vroege ochtend van de zesde juni 1944 het geluk dat hij na de dropping boven Normandië niet in de Dives terechtkwam, de rivier waarin veel van zijn zwaarbepakte maten die dag verdronken. Hij kwam neer in een ondergelopen moerasland, het water reikte slechts tot zijn middel. Toch overkwam hem een kleine ramp, schrijft Antony Beevor in zijn indrukwekkende boek ’D-Day’: „Van al de theezakjes die hij weggestopt in zijn broekspijpen had meegebracht, was er geen meer te gebruiken.”
Veel tijd om hierover te treuren had Hill niet, want dicht in de buurt ontploften Britse bommen. Hij wierp zich op zijn zij en kwam op een lichaam terecht, dat van luitenant Peters. Van hem was een been afgerukt dat verderop op het pad lag. Peters was dood.
Deze anekdote, waarvan er honderden zo niet duizenden in het boek staan, is tekenend voor de aanpak van de Britse militair historicus. Beevor vertelt het verhaal van de getuigen: de soldaten, de generaals, de artsen te velde, de burgers, zoals hij dat in zijn vorige boeken over de slag bij Stalingrad en de val van Berlijn ook heeft gedaan. Daarbij wisselt hij gruwelijke details af met lichtvoetige maar soms ook zwartgallige humor, ’want die hoort ook bij de oorlog’.
„Ik ben niet uit op een historische onthulling’’, zegt een ontspannen Beevor in de lobby van zijn hotel aan de Amsterdamse Herengracht. „Voor mij is geschiedenis juist de opeenstapeling van menselijke details. Zo kun je de werkelijkheid oproepen en laten zien hoe het destijds was. Waarom zou je het zoveelste boek over D-Day publiceren als daarin alleen maar wordt herhaald wat andere schrijvers al hebben gezegd? Je moet nieuw bronnenmateriaal vinden, de grenzen van de kennis kunnen verleggen. Anders heeft het geen enkele zin.”
In driekwart jaar heeft hij het boek van ruim vijfhonderd bladzijden geschreven, daarvoor zat hij drie jaar in de archieven, vooral Britse, Amerikaanse, Franse en Duitse. „Mijn Frans en Duits is voldoende om documenten te kunnen lezen. Voor de boeken over Stalingrad en Berlijn moest ik ook de Russische archieven in, met een tolk, en dat kostte enorm veel tijd. Voor ’D-Day’ was dat niet nodig.”
Niettemin moest hij een gigantische hoeveelheid papieren doorploegen: brieven, dagboeken, verslagen, rapporten van het Britse en Amerikaanse leger – met soms materiaal dat nog niet door historici gebruikt was. Duizenden gekopieerde bladzijden gingen door Beevors handen, uit meer dan dertig archieven in zes landen.
Het beeld dat daaruit oprees, stemde hem somber: „De gevechten in Normandië zijn veel heftiger geweest dan in de geschiedenisboeken wordt vermeld, de verwoestingen van steden en dorpen was onvoorstelbaar groot. De verliezen aan beide kanten waren hoog. De Duitsers bijvoorbeeld verloren in Frankrijk per divisie twee keer zoveel soldaten als aan het oostfront, dat wil nogal wat zeggen – in totaal 240.000 slachtoffers. De geallieerden leden eveneens zware verliezen, niet zozeer op D-Day en de dagen erna, maar vooral in de uitputtingsslagen daarop volgend, tot en met de inname van Parijs, eind augustus.” De 21ste Legergroep (Britten, Canadezen, Polen) verloor ruim 83.000 man, de Amerikanen meer dan 125.000. Daarbovenop kwamen de gesneuvelden of vermisten van de geallieerde luchtmacht: bijna zeventienduizend.
Er zijn onnodig veel burgerslachtoffers gevallen, vindt Beevor, onder meer door de in zijn ogen overbodige bombardementen op de stad Caen (zie kader). Het navrante daarbij is dat velen omgekomen zijn door ’bevriend’ vuur, dat van de bevrijders. „Ik was echt geschokt toen ik ontdekte dat er tijdens de duur van de Tweede Wereldoorlog meer Franse burgers door geallieerde bommen en granaten zijn gedood dan dat er in die jaren Britten zijn omgekomen door de Duitse Luftwaffe en de V-raketten. Niet heel veel meer, 70.000 om 67.000, maar het is toch een heel opmerkelijke verhouding.”
De executies van krijgsgevangenen waren evenzeer pijnlijk. Beide kanten hebben zich daaraan schuldig gemaakt, zegt Beevor, ook de geallieerden: „Statistieken zijn hier natuurlijk niet van, maar je krijgt uit de officiële én persoonlijke verslagen van soldaten toch een goede indruk. Sommige militairen kwamen er openlijk, zelfs ongevraagd voor uit dat ze gevangenen hadden gedood, dat zegt iets over de omvang.”
De beschrijving van het oorlogsleed grijpt de lezer af en toe naar de keel. Chirurgen in veldhospitalen moesten soms zonder verdovingsmiddelen benen amputeren. Ze stortten in onder de fysieke en psychische druk ’van het geschreeuw, de stank van koudvuur, het bloed, de afgerukte ledematen, de vreselijke brandwonden van pantsertroepen’. Maar vrijwel op dezelfde bladzijde zorgt Beevor voor een glimlach door te vertellen over een excentrieke Britse officier die af en toe tochtjes dwars door de Duitse linies maakte en die de gewoonte had ’rond te wandelen met twee eenden aan een riempje’.
De historicus laat het niet bij de verhalen van onderaf, maar trekt ook de grote lijnen en analyseert de beslissingen van generaals, maarschalken en politici. Zo is hij erg kritisch over zijn beroemde landgenoten Churchill en Montgomery die het voortdurend aan de stok hadden met hun Amerikaanse tegenhangers, Roosevelt en Eisenhower (over wie de auteur veel milder is). Winston Churchill, de conservatieve premier, verzette zich tegen het openen van een tweede front in het zuiden van Frankrijk om zo de Duitsers extra te verzwakken. „Dat was buitengewoon dom”, oordeelt Beevor. „Een van z’n adviseurs zei eens dat het probleem met Winston is dat hij per dag twintig ideeën heeft waarvan er hooguit twee goed zijn, maar hij weet zelf niet welke twee.”
Montgomery was volgens Beevor ’behept met een verbijsterende arrogantie’. De veldmaarschalk was bij de trage opmars van de geallieerde troepen door Noordwest-Frankrijk voortdurend gedwongen van tactiek te veranderen, vooral door het onverwacht heftige en slimme verzet van de Duitsers. Maar even zo vaak weigerde hij te erkennen dat hij zijn plannen had moeten wijzigen. Beevor: „Montgomery pochte altijd dat hij de Duitsers op zijn deuntje kon laten dansen. Nou, mooi niet, in Normandië waren het juist de Duitsers die de strijd bepaalden. Vanuit hun gezichtspunt bekeken voerden zij een briljante campagne: ze trokken zich tergend langzaam terug, deelden af en toe plaagstoten uit, en wisten een maximum aan slachtoffers te bewerkstelligen. Tot op de dag van vandaag komen er uit alle delen van de wereld officieren in opleiding naar Noord-Frankrijk, niet om het succes van de geallieerden in 1944 te onderzoeken, maar de tactische terugtrekking van de Duitsers.”
De geallieerden hadden nog het geluk dat de vijand geremd werd door de bizarre bevelen van Adolf Hitler. Die kwamen er op neer dat de Duitse soldaten koste wat het kost stand moesten houden, elke militaire logica was hem vreemd. Hij bracht de generaals te velde tot wanhoop. Beevor: „Al vanaf de slag om Stalingrad waren de besluiten van Hitler rampzalig, en dat waren ze ook in Normandië.”
De historicus wijdt een apart hoofdstuk aan de relatie tussen D-Day en de mislukte aanslag op Hitler op 20 juli in Oost-Pruisen, gepleegd door de groep rond kolonel Von Stauffenberg. Beevor: „Historici hebben onderschat hoe diep die aanslag beïnvloed was door de gebeurtenissen in Normandië. De coupplegers voorzagen dat het Duitse leger in Frankrijk ineen zou storten en haalden de uitvoering van hun plan naar voren. Ze dachten dat er nog ruimte was voor onderhandelingen met de geallieerden als Hitler eenmaal dood was. Dat was ongelooflijk naïef van ze. Want Roosevelt en Churchill wilden hoe dan ook dat Duitsland verslagen zou worden, dat hadden ze trouwens Stalin ook beloofd.”
De landingen in Normandië zijn van grote betekenis geweest voor het verloop van de oorlog, hoewel de vernietiging van de Duitse Wehrmacht aan het oostfront door het Rode Leger per saldo belangrijker is geweest, zegt Beevor. „Er was een indirect effect: door D-Day waren de Duitsers gedwongen op twee fronten te vechten.” Hoewel hij niet van vragen houdt in de trant van: ’wat zou er gebeurd zijn als’, gaat hij aan het slot van zijn boek toch in op de hypothese dat D-Day was mislukt. Dan was het Rode Leger mogelijk opgerukt tot de Rijn en, wie weet, zelfs tot de Atlantische Oceaan: „Dan zouden de naoorlogse kaart en de geschiedenis van Europa er heel anders hebben uitgezien.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.