opinie Een volk dat niet weet waar het vandaan komt, heeft geen besef van de waarde der dingen en dus ook geen benul waar het op aan moet koersen. Een Nationaal Historisch Museum (NHM) zal daarom de ’geestelijke grondslag van de natie’ moeten blootleggen en daarmee laten zien wat ’ons gemeenschappelijk kader’ is. Zonder dit historisch besef zijn we wrakhout op de vloedgolf van de globalisering en zullen we onze ’identiteit’, onze ’normen en waarden’ verliezen in een onstuimige integratieproces.
Het zijn grote woorden. Nochtans kregen de fractievoorzitters Maxime Verhagen (CDA) en Jan Marijnissen (SP) er in mei 2006 de handen stevig mee op elkaar voor wat sindsdien een prestigeproject is geworden: de vestiging van een Nationaal Historisch Museum, tevens het ultieme antwoord op de vraag naar onze identiteit. Des te intrigerender dat er sindsdien van die ambitie weinig meer overgebleven lijkt te zijn dan een peperdure ’postmoderne hutspot’ (Jan Marijnissen), die de Tweede Kamer er inmiddels toe noopt om in juni het hele debat dunnetjes over te doen.
Vanuit de Kamer geredeneerd is dat misschien terecht. Zij voer op het kompas dat het NHM naast het Openluchtmuseum in Arnhem zou verrijzen, dat de historische canon van Frits Oostrom en de bijbehorende chronologie tot uitgangspunt zou worden genomen en voorts dat het ondergebracht zou worden in het gedroomde gebouw van architect Francine Houben. Van al die voornemens is geen spaan heel gebleven. Er zal een heel ander gebouw verrijzen in het centrum van Arnhem, de canon met zijn vijftig doorkijkjes zal ’onzichtbaar’ aanwezig zijn en het ingrijpendste van alles, de chronologie, zal herleid worden tot een interactief spel aan de hand van vijf thema’s: ik en wij, land en water, rijk en arm, oorlog en vrede, lichaam en geest.
Dit alles lijkt mijlenver af te staan bij wat de Kamer voor ogen stond. Daar hoort wel de vraag bij of het realistisch was wat de Kamer wilde. Ik bedoel: is het doenlijk de ’geestelijke grondslag van de natie’ bloot te leggen en zo op het spoor te komen van onze identiteit? Ik zou er niet graag mijn vingers aan willen branden. Dat lijkt me meer iets voor historici en die hebben het er al moeilijk genoeg mee.
Deze relativering is echter nog geen rechtvaardiging om het roer in handen te geven van twee aanstormende directeuren die van het museum een ’icoon’ willen maken, een ’merk’ dat aansprekend in de markt moet worden gezet. Toch is dat wat er gebeurd is met de benoeming van Erik Schilp en Valentijn Bijvanck, tot voor kort directeuren van respectievelijk het Zuiderzeemuseum en het Zeeuws museum. De laatste herschiep het Zeeuws meisje in een in zwart kant gehulde pin-up, die nu als logo van het museum fungeert en de eerste heeft geen hoge pet op van geschiedenis. „Iemand die het over vroeger heeft, gaat gauw vervelen”, vindt hij. „Het verleden moet zich daarom bescheiden opstellen en vooral niet teveel praatjes hebben”.
Van mij mag het en misschien lukt het de heren met deze benadering een massa publiek en veel sponsors aan te boren. Blijft de vraag, of daarmee ook een Nationaal Historisch Museum verrijst dat die naam verdient.
Daarmee kom ik als vanzelf uit bij minister Roland Plasterk en de column die hij op 22 maart 2002 in de Volkskrant schreef over het ’ietsisme’. Daarin hekelde hij de leegloop van het geloof tot de notie dat ’er iets is, omdat we helemaal niets ook zo kaal vinden’. Iets soortgelijks doet zich ook voor met onze geschiedenis: de politiek ziet er graag de geestelijke grondslag van onze natie in. Maar zodra het op de vormgeving aankomt, blijft er iets vaags over dat we maar al te graag uitbesteden aan een paar voortvarende postmodernisten, die er met de zegen van diezelfde Plasterk een vrolijke hutspot van mogen maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.