Jan Duijndam, één van de laatste melkveehouders van Delft, zag toekomst in natuur en recreatie.
Als je bij goed weer vanaf Jan Duijndams boerderij in Delfgauw richting het noorden kijkt, zie je de beeldbepalende torens van Delft in de verte liggen. Die nabijheid van de stad heeft zo zijn gevolgen. Veehouder Duijndam levert zijn vlees en zuivel aan de stad en andersom komen de Delftenaren graag in zijn groene oase wandelen en fietsen. Die is er ook speciaal op aangepast.
„Dat is best bijzonder, maar eigenlijk ook heel gewoon”, schetst Duijndam aan de keukentafel zijn dubbele gevoel. „Ik ken mijn afnemers, vooral horeca, en zij kennen mij, maar ik ken zo langzaamaan ook mijn recreanten. En bij hen ben ik inmiddels ook een bekende.” Die symbiose van landbouw, natuur en recreatie lag lange tijd niet voor de hand. Ook bij Duijndam niet.
De Hoeve Biesland van Duijndam is één van de laatste melkveehouderijen in de driehoek Delft-Pijnacker-Den Haag. „Landbouw was altijd, ook voor mij, veel en efficiënt. En natuurbeheer? Daar waren anderen voor. Eind jaren ’90 begon ik te twijfelen. Is die opdracht van ’steeds meer’ wel wenselijk zo dicht tegen de stad aan? Ik ben gaan nadenken en kwam uit op een gezamenlijke ontwikkeling van natuur met recreatie en landbouw. Een boerderij waar koeien, wandelaars en weidevogels welkom zijn. Dat betekende wel een ander soort landbouw.”
Hoe ziet die andere landbouw er uit? „Dat hebben we met vallen en opstaan uitgevonden. Dat was voor mij nieuw en ook voor al die organisaties waarmee ik te maken kreeg. Andere landbouw wil zeggen het landschap anders stofferen. Het leuke is dat je daarmee wel je eigen supportersclub kweekt.”
„Ik merkte dat consumenten hier graag kwamen, mensen genieten hier en dat kan ik weer gebruiken tegen kwaadwillende wethouders. Uiteindelijk komt het neer op 10 procent natuur (vooral wandelpaden) en 90 procent landbouw, maar dan wel landbouw die in de natuur past en die ten dienste staat. En andersom natuurlijk. Het is een echte symbiose.”
„Mijn landbouw is een vorm van natuurlijk beheren van de groene ruimte. Ik moest daarbij een mentale draai maken. Ons boeren is de efficiëntie en grote productie met de paplepel ingegoten en daarbij wil je geen andere zaken aan je kop. Toen ik dat niet meer wilde, ben ik wel verfoeid. Je ligt eruit, maar ik bleef heel open in wat ik deed en dat geeft toch veel mogelijkheden. Ik ben toen omgeschakeld naar de biologische landbouw. Ik wist er niets van en moest zelf veel uitzoeken. Het was vooral een omslag in het hoofd. In de praktijk verschilt het niet zo veel van de gangbare landbouw. Ik denk dat 30 procent van de Nederlandse boeren dat zo kan.”
„Het is landbouw van 200 jaar geleden. Je moet alles zelf verzorgen en oplossen. Het draait om gesloten kringlopen. Van afvalproducten zoals mest, riet en organisch materiaal uit sloten wordt compost gemaakt. Dat is beter voor de natuur en geeft gezonder voedsel. Het duurt ook even voordat je resultaat ziet. Je werkt met levend materiaal, een verandering zie je pas vele jaren later. In mijn geval zo’n tien jaar.”
Door zijn volhardendheid zag Duijndam uiteindelijk ook de Delftse politiek omgaan. „Die kregen eindelijk door waar ik mee bezig was en wat mijn toekomstvisie op deze grond was. Landbouw verweven met natuur, iedereen vindt dat prachtig. Dat beheren vergt natuurlijk wel een vergunning. Aan het maken en bijhouden van natuur moet een waarde toegekend worden. Zo kan ik financieel uit. In 2000 was dat al zo’n 20 procent van mijn inkomen. Natuurbeheer is best lastig. Bij elk landschap past weer een andere benadering. Wat voor machines heb je nodig, is het vee geschikt voor die benadering? Bij onderzoekers lukte het niet altijd de juiste informatie te krijgen. Ook zij moesten die slag maken.”
„Uiteindelijk ben ik op weg geholpen door de experts van Alterra, onderdeel van de Wageningen Universiteit, die het programma Boeren voor Natuur hebben opgezet.”
En dan misschien wel de lastigste opdracht: Hoe weet je wat de consument wil, want daar doe je het allemaal voor? Duijndam: „De consument wil natuur, biodiversiteit en koeien in de wei. Mijn uitdaging is het om dat landschap dat daarbij hoort ook herkenbaar te houden als een typisch regio-landschap. Drenthe en Zuid-Holland verschillen nogal. Dat verschil moet je benadrukken, dat vinden mensen leuk. Ik doe steeds meer studie: hoe haal je kwaliteit met natuur. Daar weten we zo weinig van. Van voedselproductie hebben we verstand, maar natuur is een ander verhaal. Toen ik daarmee begon kreeg ik erg positieve reacties. Ik wist toen al: het klopt. De mensen vinden dit mooi en willen erbij betrokken worden. Dat geeft me niet alleen een goed gevoel, die steun geeft me ook bescherming. Door het samengaan van de drie pijlers, recreatie, natuur en landbouw, herkennen mensen dat als ’hun gebied’. Dat is mijn verzekering. Daaruit is de stichting Vrienden van het Biesland voortgekomen. Dat groeit elk jaar weer. Zo doe ik steeds een stap.”
De Hoeve Biesland groeide in zo’n tien jaar van 17 naar 160 hectare en dat in een zwaar verstedelijkt gebied. Jan en zijn vrouw Mieke beseffen dat zij als beheerders van de groene enclave tussen Delft en Den Haag steeds meer een bijzondere maatschappelijke positie zijn gaan innemen. Duijndam pleit voor een gebiedsfonds waaruit de boeren betaald worden voor hun maatschappelijke taken: bijvoorbeeld natuurbeheer waaronder ook waterbeheer en educatie. „Dat moet ook wel, want de opbrengst van de voeding is de helft van die van de gangbare landbouw.”
Duijndam denkt inmiddels na over het opzetten van een kas waarbij de reststromen van zijn boerderij nog beter worden gebruikt. De groenten die daaruit voortkomen zijn uiteraard bestemd voor de stad. Dat geeft hier en daar nog frictie, want bestemmingsplan is bestemmingsplan. „Maar ik heb door mijn vasthoudendheid veel steun verworven bij instanties. Ik ben zo’n beetje hun knuffelboer geworden.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.