Veel mensen willen graag hun voedsel dicht bij huis verbouwen. Maar om dat echt van de grond te krijgen, moet de politiek meedoen. Bij stedenplanning moet al rekening worden gehouden met stadslandbouw. En er moet in belemmerende regelgeving worden gesnoeid.
Opvallend aan de vele initiatieven die een ander soort voedselketen willen, is dat ze van onderop komen: een enkele kok of boer, een bekeerde wetenschapper en een handjevol consumenten. Steeds vaker vinden ze elkaar en vormen ze, met weer anderen, een bredere groep die zich al wat beter laat gelden. De politiek begint hier en daar ook mee te hobbelen, meestal noodgedwongen.
„De opkomst van die civil society – het oplossen van problemen zonder de overheid, maar het heft in eigen handen te nemen – is al een jaar of tien aan de gang”, zegt hoogleraar globalisering en duurzaamheid Paul van Seters. „Het wordt nu langzaamaan zichtbaar. Daarbij speelt internet een kapitale rol. Dat kan je gerust een mondiale revolutie noemen. De oorlog tussen Greenpeace en Shell om de Brentspar won Greenpeace dankzij internet. Maatschappelijke organisaties heten sinds die tijd ook wel e-mailing societies. Internet geeft een lage drempel om je aan te sluiten.”
Al voor de financiële crisis zich aandiende, bleek de verkoop van het aantal groentezaden voor het eerst sinds de oorlog die van bloemzaden te overtreffen. Moestuinen zijn populairder dan ooit. Door de crisis neemt die hang naar zelf verbouwen alleen maar toe. In Groot-Brittannië staan nu honderdduizenden particulieren op een wachtlijst voor een stukje land. „Weet je”, zegt Henk Kieft, „er is geen verschil tussen mensen in bijvoorbeeld Oeganda of Nederland en Engeland. Overal laten mensen zien dat zij precies weten hoe ze willen leven.”
Kieft en zijn collega René van Veenhuizen hebben bij ETC, een adviesgroep voor ontwikkeling en duurzame landbouw, veel ervaring met urbane landbouw in de derde wereld en een leefbaar platteland in Nederland. Van Veenhuizen: „Urbane landbouw is in de derde wereld een belangrijke manier om te overleven. Je hebt voor jezelf en je kinderen vers en gezond eten en als je het goed doet, kun je het surplus op een markt verkopen. Vooral voor vrouwen in de stad is dit een manier om aan armoede te ontkomen. Veel verse producten worden in de steden zelf geproduceerd, soms wel 60-70 procent. Door de toenemende aandacht voor milieu en voedsel is er in de westerse wereld weer belangstelling voor stadslandbouw.”
Het probleem, zeggen Kieft en Van Veenhuizen, is hoe je groter kunt groeien dan een paar volkstuintjes. Kieft: „Dat moet je organiseren. Je ziet de laatste twee jaar in Nederland initiatieven om die schaalsprong mogelijk maken.
Onze ervaring is dat zoiets vooral lukt via een publiek-private samenwerking, samen met de overheid dus.”
Van Veenhuizen vult aan: „Wetgeving is een drempel. Veel steden hebben regels waarbij geen kippen in de stad mogen worden gehouden, laat staan boerderijen in de stad. Sommige voedselveiligheidsregels zijn te rigoureus en er liggen bestemmingsplannen dwars.” Om daar doorheen te breken heb je ondernemende ambtenaren nodig met rugdekking van krachtige leiders, zegt hij. Via proefprojecten kun je iets laten zien dat anderen weer over de brug trekt. Het is een supertanker die slechts langzaam van koers verandert. Stel dat uiteindelijk 20 procent van het voedsel uit de steden kan komen, vooral verse producten als groenten. Dat lijkt misschien niet veel, maar uit oogpunt van duurzaamheid is dat een grote slag.”
Architect Tjeerd Deelstra is al zijn hele leven bezig met de integratie van stad en platteland. In 2005 schreef hij een van zijn vele studies: ’Agropolis, een symbiose tussen stad en land’. „Steden zijn geen geïsoleerde dingen. Het zijn grote eco-systemen waar veel ingaat in de vorm van bijvoorbeeld voeding, en veel weer uitgaat als afval. Dat is pure verspilling. Afval bevat veel meststoffen die weer kunnen worden gebruikt om in de stad groenten te telen. Mijn idee van de stadskas is daarop gebaseerd. Zo’n kas kan ook voorzien in energie: een kas is een grote zonnecollector.”
In stadsplanning wordt nog amper rekening gehouden met landbouw en groen, weet Deelstra. „Heel veel besturen willen in de eerste plaats meer huizen. Dat betekent meer inwoners en dus meer geld. Zodoende gaat er nauwelijks grond naar groene ruimtes en landbouw. Landbouw en stedenbouw moeten meer bij elkaar komen. Of dat kan gebeuren? Waarom niet? Kijk naar boer Duijndam bij Delft (zie verhaal op pagina 12) en zijn agrarische productie bestemd voor de stad.”
Deelstra vindt een taak weggelegd voor de nationale overheid. „Je moet de infrastructuur, vervoer, water, energie, voeding en de recycling op een optimum enten, zeg de zuidelijke Randstad met zo’n drie miljoen inwoners. Zo krijg je een hoge mate van zelfvoorziening.”
Bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam zoekt hoofdplanoloog Pim Vermeulen naar wegen om dat op gang te brengen. „Dat begon in 2002 naar aanleiding van de herziening van het Europees landbouwbeleid, waarbij ’groen’ meer ruimte moest krijgen, met duurzaamheid als leidraad. Amsterdam heeft toen als eerste stad in de EU ingezoomd op het bij elkaar brengen van stad en platteland. Daarbij speelt de voedingsketen een hoofdrol. Als je naar de kaart kijkt, dan zie je dat de overgang stad-platteland in Amsterdam heel helder is. In een kwartier fietsen zit je in de groene zone. De ommelanden – Noord-Holland en het Groene Hart – zijn beter bereikbaar dan in een stad als Londen. Toen de voedselstrategie in de gemeenteraad ging spelen, werd daar uitdrukkelijk de sociale dimensie aan toegevoegd: de rol van zorgboerderijen, voedseleducatie op scholen.”
De komst van GroenLinks-wethouder Marijke Vos – met milieu, gezondheid en groene ruimte in haar pakket – gaf zijn werk een grote prikkel, zegt Vermeulen. „Het was voor het eerst dat voeding en gezondheid aan elkaar werden gekoppeld en voeding op beleidsniveau een volwaardige plaats kreeg. Dat wil nog niet zeggen dat het toen ook meteen een feit was. In maart 2008 begonnen we met het project Proeftuin Amsterdam. Daarin bekijken we stap voor stap hoe de voedselstromen kunnen bijdragen aan een gezonde en duurzame metropool. We hebben toen eerst bestaande initiatieven herschikt en er verbindingen tussen aangebracht. Opvallend was dat het erg leeft bij veel bewoners, maar bestuurders en ambtenaren wisten niet goed wat ermee te doen. De ambtelijke organisatie is ook zo verkokerd. Dat begint te veranderen.”
Per Amsterdammer komt jaarlijks zo’n 720 kilo voedsel (exclusief drinken) de stad in en er gaat weer 390 kilo als afval uit. „Dat is enorm”, zegt Vermeulen. „En die hele voedselketen is rond de auto gepland. Dat kan en moet anders. Er komt nog te veel van ver weg. Het streven is natuurlijk zoveel mogelijk van dichtbij te betrekken. Ons proeftuin-project moet interregionaal worden en als je als steden goed samen optrekt, kan er veel. Je moet sjorren aan veel zaken, je moet producenten meekrijgen, bijvoorbeeld AH beïnvloeden om regionaal in te kopen. Ook regionale supermarkten als Dekamarkt en Deen moeten mee, maar dat staat allemaal nog in de kinderschoenen.”
Ondanks vele obstakels – gemeentelijke voorschriften, nationale wetten, Europese aanbestedingsregels – stelt Vermeulen vast dat het aantal initiatieven van onderop blijft aanzwellen. „Voedsel is niet meer weg te denken als beleidsonderwerp. Dat is onomkeerbaar.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.