We moeten weer weten wat we eten, zegt onderzoeksjournalist Michael Pollan. Goed voedsel komt van landerijen dichtbij huis en niet uit een pakje, of van de andere kant van de wereld.
Probeer eens te raden welk product met onderstaande veertig ingrediënten wordt gemaakt:
Gebleekte bloem [verrijkt met tarwebloem, gerstemeel met moutextract, niacine, ijzer, thiamine mononitraat (vitamine B1), riboflavine (vitamine B2) en foliumzuur], water, volkoren granen [volkoren tarwemeel, bruine rijstmeel (rijstmeel, rijstzemel)], maïsstroop, wei, tarwegluten, gist cellulose. Bevat tevens 2 procent of minder van de volgende ingrediënten: honing, calciumsulfaat, plantaardige olie (uit sojabonen en/of katoenzaden), zout, boter (room, zout), deegverbeteringsmiddelen (mogen een of meer van de navolgende stoffen bevatten: mono- en diglyceriden, geëthoxyleerde mono- en diglyceriden, ascorbinezuur, enzymen, azodicarbonamide), guargom, gistvoedingsstoffen (monocalciumfosfaat, calciumfosfaat, amoniumsulfaat) maïszetmeel, natuurlijke smaakstof, bètacaroteen (kleur), vitamine D3, sojalecitine, sojameel.
Een ingewikkeld product? Nee, dit zijn de ingrediënten van een brood. Brood dat door de Amerikaanse voedselproducent Sara Lee wordt geproduceerd, in elke Amerikaanse supermarkt ligt en wordt aangeprezen als wit brood maar met de gezonde eigenschappen van bruin brood. Unilever maakt de Europese variant. Waarom toch al die poespas? Duizenden jaren lang zijn louter bloem, gist, water en zout, aangevuld met de kennis van de bakker, voldoende geweest om dit simpele maar verrukkelijke product te maken. Wereldwijd is het een pijler van het dagelijks menu.
Maar het moest toch anders. Op een dag besloot de voedingsindustrie van alles toe te voegen aan die vier ingrediënten. Te verrijken, zo beweert ze, ten gunste van de consument. Daar klopt niets van, stelt de Amerikaanse onderzoeksjournalist Michael Pollan (van hem is ook bovenstaand voorbeeld). De enige die er beter van wordt is de industrie. Geld is hun motief. Aan producten – ’echt voedsel’ noemt Pollan ze – zoals een tomaat, paprika of aardappel is amper nog een cent te verdienen. Dus bedacht de voedselindustrie bewerkingen en ’verrijkingen’. Producten waarmee we ons al eeuwen voeden en daarmee onze soort in stand houden, worden nu door wetenschappers uit elkaar gehaald en met allerlei toevoegingen weer in elkaar gezet. Vervolgens worden op die bewerkingen slogans geplakt als ’Verrijkt met Omega-3’, ’Met extra calcium’, ’Vetarm’, ’Vezelrijk’, of ’Goed voor hart- en bloedvaten’. De consument krijgt de indruk echt iets gezonds te kopen en betaalt daarvoor dan ook een stevige prijs.
Dit brood staat model voor tienduizenden producten die vandaag de dag in de supermarkten verkrijgbaar zijn. Producten van het land worden steeds meer achter fabrieksmuren, in voedsellaboratoria en slachthuizen bewerkt en in potjes en pakjes gestopt, aangevuld met smaakversterkers, conserveringsmiddelen en zaken die goed zouden zijn voor onze gezondheid. Dit is amper nog eten, zegt Pollan. Het zijn eetbare substanties geworden. Op het etiket moet je lezen wat er in zit. Maar als mensen die vaak lange lijst al lezen, zal bijna niemand de wetenschappelijke namen van ingrediënten nog herkennen.
Die spreken elkaar niet zelden tegen en om de zoveel tijd verschijnt er weer een ander wondermiddel dat goed zou zijn voor de gezondheid. Nu vervult Omega-3 die rol, een vetzuur dat onder meer goed is voor de werking van de hersenen. Van brood tot varkensvlees en van eieren tot margarine, overal waar het kan wordt het door de industrie in gestopt. Als de ene hype is uitgewerkt, dient de volgende ’ontdekking’ zich al aan. We praten niet meer over tomaten en sla, maar over anti-oxidanten, bioflavonoïden en cholesterolarm. Geen wonder dat de doorsnee consument er geen raad mee weet. Die heeft geen kennis van deze termen noch binding met de anonieme makers van de verzonnen producten en vraagt zich steeds meer af wat hij nog kan eten.
Als het resultaat van al dat gefabriceer nou geweldig goed zou zijn voor ons welbevinden, maar het tegendeel is het geval, meent Pollan. Fabrieksvoedsel bevat vaak teveel toegevoegd vet, zout en suiker. Om de smaak ervan aanvaardbaar te maken voor de grootste gemene deler van de consumenten en omdat die ingrediënten nauwelijks iets kosten. Dat, gekoppeld aan de enorme marketingmacht van de multinationale voedingsconcerns, leidde ertoe dat consumenten eten uit potjes en pakjes die teveel vet, zout en suiker bevatten.
Dat gebeurde aanvankelijk alleen in het Westen, maar nu ook elders in de wereld. Het inwisselen van traditionele menu’s – met hun nadruk op verse producten, vooral groenten, granen en fruit – door een overconsumptie aan vet, zout en suiker heeft geleid tot een zeer snelle toename van het aantal mensen met overgewicht en de daarmee gepaard gaande ernstige aandoeningen als diabetes en hart- en vaatziekten. Er zijn nu meer mensen in de wereld met overgewicht dan er honger lijden.
De duurzaam werkende boer zal alleen als het niet anders kan overgaan tot chemische middelen om zijn oogst of dieren gezond te houden. Hij zal met veel genoegen en passie zijn producten telen en ze een verhaal meegeven. Hij ziet tegenover zich een kok en een consument die zijn producten waarderen. Zo wordt de voedselketen niet gebruikt om zo veel mogelijk geld te verdienen, maar waarvoor ze werkelijk bedoeld is: mensen voeden. Deze kijk – niet het individueel gewin, maar het welzijn van de gemeenschap staat voorop – behoeft vooral een mentale draai, eigenlijk identiek aan de draai die moet worden genomen in de financiële wereld. Boeren die dat hebben gedaan beamen dat. Het is lastig, maar geeft uiteindelijk veel voldoening, zeggen ze. Aan de andere kant van de keten leidt deze vorm van landbouw onbedwingbaar tot lekker koken en dus lekker eten. Eten verbindt en bepaalt ook deels wie je bent. Dat was ooit zo, maar de industriële voedselketen met zijn snelle happen heeft die betekenis naar de achtergrond gedrongen.
Lokaal en duurzaam eten houdt meer in dan een moestuintje in een buitenwijk of hier en daar een boerenmarkt. Ook de stad in samenhang met het ommeland kan voedsel produceren. In de stad wordt niets uitgesloten. Braakliggende terreinen en dito gebouwen, maar ook daken en gevels van woon- en werkblokken kunnen worden omgetoverd in een groene oase. Stadsplanners en architecten zijn hier volop over aan het nadenken.
Ook Pollan stelt dat uiteindelijk de consument de macht heeft. Zijn voedselkeuzes bepalen uiteindelijk welke soort landbouw er wordt bedreven en dus welke soort producten er op tafel komen. ’Stem met je vork’ is zijn advies.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.