*

 

Waar evolueert de mens heen?

Sander Becker − 12/02/09, 00:00

De mens is nog lang niet af. Wij evolueren gestaag voort, volgens de wetten van Darwin. Maar waarnaartoe? Deskundigen voorspellen een sterk vergroot hoofd, maatje basketbal. En meer sociale vaardigheden.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

Evolutie valt nauwelijks te voorspellen. Toevallige veranderingen, gelukstreffers en domme pech spelen er simpelweg een te grote rol in. Dat maakt het lastig om te speculeren over de vraag hoe de mens er over honderdduizend jaar uit zal zien. Toch varen wij wel degelijk een koers, uitgestippeld door de natuur en de geneeskunde.

Over die koers verschillen deskundigen nogal van mening. Volgens de saaisten onder hen verandert er helemaal niets meer aan de mens; we zouden volkomen stilstaan. Zo stelt de Keniaanse paleoantropoloog Richard Leakey dat we evolutionair gezien de hakken in het zand hebben gezet door ons te gaan gedragen als één grote gemengde populatie. Evolutie vindt volgens hem alleen plaats bij kleine, geïsoleerde groepjes: die drijven genetisch van elkaar af en verwerven zo steeds meer uiterlijke verschillen.

„Een achterhaald idee”, reageert evolutiebioloog Menno Schilthuizen, werkzaam in het Leids Natuurhistorisch Museum Naturalis en aan de Universiteit Groningen. „We weten inmiddels dat evolutie ook plaatsvindt bij grote, niet-geïsoleerde groepen. Sterker nog, een omvangrijke populatie is een kweekvijver voor vernieuwing: hoe meer voortplanting, des te meer genetische varianten er ontstaan.”

Met haar zes miljard individuen houdt de mensheid dus betere evolutionaire kaarten in handen dan ooit tevoren. Al valt daar tegen in te brengen dat die individuen de filterende werking van de natuur behoorlijk versjteren. We hebben er immers voor gezorgd dat we in de meeste delen van de wereld geen concurrentiestrijd meer hoeven voeren om schaars voedsel. En dankzij de moderne geneeskunde bereikt bijna iedere westerling de reproductieve leeftijd (zie kader). De natuur heeft daardoor veel van haar selectieve macht verloren.

Toch houdt zij nog altijd zo’n 30 procent van de touwtjes in handen, becijferde de Britse geneticus Steve Jones in 2006 in het populair-wetenschappelijke tijdschrift New Scientist. En 30 procent op een miljardenbevolking, dat tikt behoorlijk aan.

Als wij inderdaad nog evolueren, welke kant gaat het dan op? Waar drijven Darwins woelige baren ons heen?

Laten we eenvoudig beginnen: met blondharigen. Blond haar zit wereldwijd in de verdrukking, vooral doordat donkergetooide volkeren zich nogal gretig voortplanten. Naar schatting komen ’blonde’ genen op dit moment bij maar 5 procent van de mensheid voor. Uiteindelijk zullen ze totaal verdwijnen, mede als gevolg van menghuwelijken, voorspelt geneticus Jones.

Ook Schilthuizen ziet de blondharigen worstelen, maar hij vindt hun ondergang niet vanzelfsprekend. Zwartharigen beschikken namelijk niet over een evolutionair voordeel, redeneert hij. Hun opmars wordt vooral gedreven door sociaal-economische factoren. China en Afrika zitten reproductief in de lift, het westen zakt juist in. „Die verhouding kan anders komen te liggen, en dan neemt het blonde haar misschien weer toe.”

Gaat het in de haarstrijd louter om wat evolutionair geschommel, interessanter wordt het volgens Schilthuizen als een bepaalde variant langdurig een biologisch voordeel oplevert. In zo’n geval leidt een gunstige eigenschap ertoe dat iemand meer kinderen krijgt of dat die kinderen langer blijven leven. En daar verandert de soort ingrijpend door.

Zoiets lijkt nu aan de gang in landen waar veel aids heerst. Sommige mensen zijn van nature enigszins tegen het aidsvirus beschermd, dankzij een genetische variant (CCR5-32). Wiskundigen hebben met een rekenmodel voorspeld dat deze gunstige variant zich sterk zal verspreiden onder de Afrikaanse bevolking. Want hoe langer iemand aidsvrij blijft, des te meer nakomelingen hij kan verwekken. Het wachten is nu op concreet bewijs ’uit het veld’.

Biologisch voordeel valt volgens veel deskundigen ook te behalen met grotere hersenen. Daar is zelfs een historische trend in waarneembaar. De oudste mensachtige, de Australopithecus, beschikte ooit over 440 milliliter brein. Zijn jongere broer Homo erectus schoot door naar één liter. De huidige Homo sapiens zit al op anderhalve liter: ruim een verdrievoudiging in drie miljoen jaar.

De Britse evolutiebioloog Richard Dawkins heeft deze toename voor de grap doorgetrokken naar de toekomst. Hij kwam uit bij wat hij de ’Homo futuris’ noemde: een mens met een soort waterhoofd, een vooruitstekend voorhoofd en een piepklein onderkaakje.

Persoonlijk gelooft Dawkins niet dat het zo’n vaart zal lopen. Maar veel andere evolutiebiologen verwachten wel degelijk een uitdijing van het hoofd. Ze zien daar zelfs een uitgelezen kans toe: de keizersnee. Gert-Jan van Ommen, hoogleraar humane genetica aan de Leidse Universiteit, legt het graag uit. „De geboorte is het meest selectieve moment in een mensenleven. Het is van oorsprong een gevecht tussen de omvang van het hoofd en de doorsnee van het geboortekanaal. Nu er steeds meer kinderen via een keizersnee ter wereld komen, valt de beperking van die flessenhals weg. Het hoofd kan daardoor uitdijen. Ik denk dat versie 2.0 van de mens wel eens zou kunnen rondlopen met een soort basketbal op zijn schouders.”

In Nederland komt al 15 procent van de kinderen via een keizersnee ter wereld, in de Verenigde Staten 31 en in Italië zelfs 38. Als er dus een nieuwe mens opstaat, dan vermoedt Van Ommen dat het in die laatste landen zal zijn.

Een groter hoofd of niet, ook bij hun huidige omvang kunnen de hersenen flink in complexiteit en functionaliteit toenemen. „Dan krijg je waarschijnlijk mensen met een betere impulscontrole die sociaal vaardiger zijn”, filosofeert Van Ommen. „Ik denk dat het grootste verschil tussen de huidige mens en die van 200.000 jaar geleden ook niet zozeer in intelligentie zit, maar meer in het vermogen om zich staande te houden in toenemend complexe samenlevingen. Daar staat een enorme sociaal-economische premie op. Het verbetert de voortplantingskans tot op de dag van vandaag.”

Hier scheren we langs de theorie van de Amerikaanse psycholoog Geoffrey Miller. Ook hij stelt dat ons grote brein vooral belangrijk is voor sociaal succes, in het bijzonder voor hofmakerij. Hoe meer verleidingstrucs en charmes een man in huis heeft, des te groter is zijn kans op een vrouw en kinderen. Een groot en complex brein helpt ons dus om seksueel aan de bak te komen.

Schilthuizen sluit zich daarbij aan. „Vrouwen zijn in een man vooral op zoek naar intelligentie en creativiteit. Dat is een vorm van seksuele selectie die er denk ik toe heeft geleid dat de huidige mens intelligenter en creatiever is dan die van enkele tienduizenden jaren geleden.”

Behalve mentaal werkt de partnerkeuze ook lichamelijk door, vermoedt Schilthuizen. „Vrouwen hebben lang geselecteerd op mannen die sterk genoeg waren om een gezin te onderhouden. Dat wordt minder belangrijk, nu vrouwen zelfstandiger zijn geworden. Het zou kunnen dat de mannen van de toekomst daardoor minder een toonbeeld van fysieke kracht zijn.”

Van stoere holbewoner tot softe stedeling dus Maar het oog wil toch ook wat? Zou het niet juist zo zijn dat mannen aan de seksuele selectie een steeds bredere torso overhouden, en vrouwen een grotere boezem? Schilthuizen kan het zich niet voorstellen. „Alleen de voorkeur voor de borstomvang verschilt al per regio”, zegt hij. „Daar zit geen universele tendens in.”

Ook Van Ommen denkt niet dat de mens op weg is naar een soort die bestaat uit louter fotomodellen. „Dankzij plastische chirurgie kan iedereen tegenwoordig de gewenste eigenschappen laten inbouwen. De selectie van de genen wordt dus juist minder belangrijk.”

Van Ommen vreest eigenlijk eerder een genetische verslonzing: we zullen geleidelijk bepaalde kwaliteiten verliezen. Neem de reuk. „De mens heeft ongeveer duizend reukgenen. Bij volken die dicht bij de natuur staan, is 40 tot 45 procent daarvan nog actief. Bij ons werkt nog maar 35 procent. Op dezelfde manier denk ik dat ook ons gezichtsvermogen en ons gehoor slechter zullen worden. Je kunt ze net zo makkelijk ondersteunen met een bril en twee draadjes in je oren.”

Een veelal onderschatte factor in de evolutie van de toekomstige mens zou wel eens de gemoedstoestand kunnen zijn. Zo is het goed voorstelbaar dat depressieve mensen liever geen kinderen opzadelen met het leven. Neurotisch aangelegde personen idem dito. Een aanwijzing voor dat laatste stond vorige maand in het Journal of Personality and Social Psychology. Britse en Finse psychologen meldden dat sociale, actieve mensen relatief veel kinderen krijgen, en nerveuze juist weinig. De stresskippen begonnen er vaak wel aan, maar hielden het na één kind voor gezien.

Het is natuurlijk de vraag of zo’n mechanisme voldoende zoden aan de dijk zet om de soort als geheel te ontstressen. Voor hetzelfde geld worden er ook uit ontspannen ouders veel neurotische kinderen geboren, en dan staat de natuur psychologisch te dweilen met de kraan open.

Alleen de toekomst weet het. En die duurt nog lang: volgens fossiele databestanden gaan de meeste zoogdiersoorten zeker een paar miljoen jaar mee. De mens, met zijn geschatte leeftijd van nauwelijks 200.000 jaar, heeft dus nog alle tijd om aan zichzelf te laten sleutelen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />