Wat is nu eigenlijk een mens? Wat is zijn plek in het dierenrijk? Pieter R. Adriaens – filosoof en darwinist – publiceerde onlangs ’Het nut van waanzin,’ een boek over darwinisme en psychiatrie. „Het is duidelijk dat er zowel gelijkenissen als verschillen tussen mens en dier bestaan, en dat er geen eenduidige criteria zijn om die tegen elkaar af te wegen.”
Wat zou er gebeuren als we een zuur weten te maken dat zich moeiteloos een weg vreet door de menselijke huid, door botten, door hout, door aarde, door alles?
Die vraag stelde de Amerikaanse filosoof Daniel Dennet zich in zijn jeugd. Samen met vrienden fantaseerde hij over de kracht en het eindpunt van dat zuur. Zou het in het heelal eindigen? Nog verder? Ze hebben het zuur nooit uitgevonden, deze jongens. Maar volgens Dennet bestaat het wel: het is Charles Darwins (1809-1882) idee dat de evolutie van soorten wordt gedreven door natuurlijke selectie. Dennet meent dat dit idee zich een weg vreet door alle lagen van de maatschappij, door de cultuur, de religie, en door alle wetenschappen. Het idee is onstuitbaar.
De wetenschappelijk onderzoeker Pieter R. Adriaens publiceerde onlangs ’Het nut van waanzin,’ een boek over darwinisme en psychiatrie. Daarin legt hij helder en eenvoudig uit wat het zuur van Darwin behelst. Ten eerste woedt er een strijd om het bestaan. Dat blijkt uit het feit dat soorten zich zelden explosief vermenigvuldigen, daarvoor is er te weinig voedsel en te weinig ruimte. Ten tweede bestaat er in de natuur variatie, geen twee exemplaren van een soort zijn identiek. Adriaens: ’Krachtens deze variatie zullen sommige organismen, onder de gegeven omstandigheden, ’een stapje voor hebben op, en dus meer nakomelingen hebben dan andere varianten.’ Ten derde: variatie is erfelijk. Darwin stelt dat er een ’onzichtbare hand’ moet bestaan die nuttige kenmerken behoudt en doorspeelt via erfelijkheid. Zo komt hij tot de conclusie dat natuurlijke selectie uit de lange reeks mogelijke organismen juist die pikt, die in de gegeven omstandigheden de beste papieren kunnen voorleggen.
Geen speld tussen te krijgen, toch?
Adriaens: „Ik ben een darwinist, en twijfel dan ook niet aan de juistheid van Darwins idee. Maar ik erger me aan de triomfantelijke retoriek van een aantal populariserende darwinisten. Zij stellen zich op als wereldverbeteraars en belijden het geloof dat een wetenschappelijk idee de oplossing is voor alle vragen. Dat is sciëntisme, en dat vind ik gevaarlijk.”
Omdat hij zelf filosoof is, toont Adriaens de invloed en de beperkingen van Darwins gedachtengoed aan in de filosofie. „Een van de deelgebieden van de filosofie waarop Darwins idee veel invloed heeft gehad, is de wijsgerige antropologie, de studie die zich buigt over de plaats van de mens in het dierenrijk en zich de vraag stelt: wat is nu eigenlijk een mens? Een mens, zo beantwoordde men deze vraag eeuwenlang, onderscheidt zich van de dieren door zijn verstand, en het is precies zijn verstand dat hem ertoe aanzette om als enige dier op aarde op twee benen te gaan lopen. De grote verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, bijvoorbeeld, was ervan overtuigd dat tweebenigheid de fysieke gestalte is van onze verstandelijke superioriteit in de dierenwereld. Maar biologische antropologen hebben aangetoond dat er tweebenige wezens zijn geweest met een brein ter grootte van dat van een chimpansee. Zo heeft de evolutiebiologie duidelijk een corrigerende invloed gehad op de wijsgerige antropologie.”
Hetzelfde geldt volgens Adriaens voor andere typisch menselijke eigenschappen als rationaliteit, religiositeit en taligheid. „Onlangs is een onderzoek gepubliceerd over de melodieën die spreeuwen produceren. Daaruit bleek dat die bij hun melodieën gebruikmaken van een recursief regelsysteem. Spreeuwen hebben een scala aan toonreeksen tot hun beschikking waarmee zij dusdanig kunnen variëren, dat er een oneindig aantal melodieën zou kunnen ontstaan. Tot nu toe werd deze kunde alleen aan de mens toegeschreven, die door middel van een eindig aantal klanken een oneindige hoeveelheid mededelingen kon doen. Prachtig onderzoek, maar onmiddellijk sloegen darwinisten op de trom. In hun ogen maakte die bevinding komaf met de eeuwenoude overtuiging dat de mens uniek is onder de dieren; nu was ook het laatste bastion van de christelijke/cartesiaanse cultuur geslecht, en de kunstmatige barrières tussen mens en dier opgeheven.”
Dat tromgeroffel ergert u.
„Precies, want het is simplistisch. Het is duidelijk dat de verschillen tussen de mens en de andere dieren traditioneel te dik in de verf zijn gezet, en dat er een duidelijke continuïteit is tussen beide. Maar naar mijn idee is de woordenschat waarmee het debat gevoerd wordt, met die typische tegenstelling tussen ’kwalitatieve’ en ’kwantitatieve’ verschillen, ontoereikend. Het is immers duidelijk dat er zowel gelijkenissen als verschillen zijn, en dat er geen eenduidige criteria zijn om die tegen elkaar af te wegen. Om een beetje de draak te steken met het debat in kwestie stel ik in ’Het nut van waanzin’ dat er wel degelijk een onderscheidend verschil is tussen de mens en het dier, al is het een verschil waar we bezwaarlijk trots op kunnen zijn: onze vatbaarheid voor ziekten.”
De mens als ziek dier.
„Die gedachte vind je terug bij Freud; hij meende dat onze tweebenigheid ons zelfs vatbaar zou maken voor neuroses. Wellicht een brug te ver, maar het is een feit dat onze tweebenigheid, die tal van voordelen bracht, ons tegelijkertijd voorbestemde tot allerlei fysieke kwalen. Denk aan lage rugklachten, hartklachten, en klachten tijdens de zwangerschap. Het gaat mij niet om te bewijzen dat vatbaarheid voor ziektes ons onderscheidt van de dieren. Ik wil met zo’n speculatieve hypothese aantonen dat het onzinnig is om brutaalweg te stellen, zoals sommige darwinisten doen, dat er geen verschil is tussen mens en dier.
„Een ander deelgebied van de filosofie waarover darwinisten ietwat voorbarig de overwinning hebben uitgeroepen is de ethiek, waarin we descriptieve ethiek en normatieve ethiek onderscheiden. De descriptieve ethiek, die ons feitelijke morele handelen beschrijft, heeft veel te danken aan empirisch onderzoek van de biologische antropologie. Zo is duidelijk geworden dat alle sociale diersoorten, ook de mens, een hekel hebben aan vrijbuiters, individuen die opportunistisch handelen. Gelijkaardig onderzoek toonde aan, dat wij een natuurlijke drang hebben om samen te werken, het liefst met verwanten, maar als het moet ook met vreemden, als er maar een vorm van wederkerigheid in zit. Het is een verdienste van de biologische antropologie, dat nauwkeurig in kaart is gebracht hoe zulke normen en waarden ontstaan, en evolueren.
„Die beschrijvingen, hoe gedetailleerd ook, zeggen niets over de vraag hoe we zouden moeten handelen. Sterker nog, hoe gedetailleerder we menselijk gedrag in kaart brengen, des te sterker het gevaar opspeelt van de ’naturalistische drogreden’: de gedachte dat we uit feiten waarden kunnen afleiden.”
Die denkfout zie ik niet: als de biologische antropologie ons leert dat samenwerken in onze genen zit, kunnen we toch zeggen dat het goed is samen te werken?
„Nee, dat is een logische denkfout. Het is ook een biologisch feit dat stiefouders door de geschiedenis heen geneigd zijn meer geweld te gebruiken tegen hun stiefkinderen dan natuurlijke ouders. Zou u hieruit willen afleiden dat het goed is om dergelijk geweld te gebruiken?
„De descriptieve ethiek staat los van de normatieve ethiek, die handelt over de vraag hoe we zouden moeten handelen, hoe we een samenleving op een goede manier moeten inrichten. Op vragen die de normatieve ethiek opwerpt, heeft de evolutiebiologie weinig grip. Zij kan feiten aandragen, beschrijvingen leveren, maar de normatieve ethiek zal zij daarmee niet in handen krijgen. Die wordt nog steeds bepaald door politici, filosofen, theologen.”
De darwinisten hebben de theologen wel enige wapens uit handen geslagen.
„Ongetwijfeld, al denk ik dat veel Amerikaanse darwinisten zo fel zijn vanwege het debat met fundamentalistische gelovigen, met creationisten die steevast blijven geloven dat planten, dieren en mensen hun bestaan te danken hebben aan een bijzondere scheppingsdaad. Ik ben niet religieus, maar als darwinist vind ik het wel spannend na te denken over het beeld van God. Alleen al vanwege die lange lijst van onnuttige anatomische kenmerken van de mens, die ik in mijn boek in kaart breng, zou ik God eerder kenschetsen als een prutser dan als een almachtig wezen. Die herziening van het godsbeeld lijkt me ook goed voor de religie, omdat een goedwillende prutser ook een beter antwoord kan geven op het oude probleem van de theodicee: als God goed is, is hij niet machtig, en als hij machtig is, is hij niet goed.
„Los daarvan begrijp ik niet waarom darwinisten zich steeds opnieuw laten verleiden tot een debat met creationisten; het is immers duidelijk dat die mensen niet in staat zijn tot een constructieve dialoog. De strijd tegen het creationisme is overigens aan het ontaarden in een kruistocht tegen alles wat enigszins naar religie ruikt. In Londen rijden sinds kort bussen met het opschrift: ’There’s probably no God, now stop worrying and enjoy your life’. De campagne wordt officieel gesteund door Richard Dawkins. Mensen als Dawkins lijken niet te beseffen dat religie voor veel mensen meer is dan een blind geloof in een aantal vastgeroeste dogma’s. Religie is in de eerste plaats een praktijk, geen theorie.
„Of het nu de wijsgerige antropologie betreft, de ethiek, de religie, er zullen eilanden blijven waarop het darwinisme geen vat heeft. Het idee van de natuurlijke selectie is dan ook geen bijtend zuur dat zich een weg vreet door alle lagen van de maatschappij, maar een vruchtbaar idee dat meer baat heeft bij grondig onderzoek dan bij ronkende retoriek.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.