Eén van de zeldzame keren dat Willem Drees een sigaretje opstak, was toen hij in 1947 zijn noodwetje door de Kamer geloodst had, waarin de basis was gelegd voor de latere AOW.
Dat rokertje had hij wel verdiend, meende de minister van sociale zaken. De natie zal het hem van harte hebben gegund: het was een mijlpaal in de geschiedenis van de sociale wetgeving. Sindsdien kon niet alleen de rentenier, maar iedereen vanaf zijn 65ste van een welverdiend pensioen genieten. Als huldeblijk spreken we nog altijd enigszins vertederen over ’trekken van Drees.’
Soortgelijke gevoelens zal de stoutmoedige bedenker om de AOW-leeftijd op te trekken tot het 67ste jaar voorlopig moeten ontberen. In de optiek van velen overschrijden we met die verhoging een magische grens waardoor het leven in een totaal ander perspectief komt te staan. In plaats van een wenkend Zwitserleven, vaak al vanaf het 58ste jaar, zal er door gebuffeld moeten worden met ’de dood als bondgenoot’, zoals een hoogleraar sarcastisch opmerkte. En waarom eigenlijk? Omdat het kabinet geen andere mogelijkheid ziet om de rekening sluitend te krijgen?
Minister Donner zag het buitje wel hangen. Desondanks tekende hij voor het kabinetsbesluit om de drempel toch te nemen. Deels omdat de alternatieven nog onaantrekkelijker waren, zoals (gedeeltelijke) afschaffing van de hypotheekrenteaftrek, en/of een fiscalisering van de AOW. Maar ook omdat hij het in de grond van de zaak een sociale maatregel vindt. Lees er zijn interview deze week met de lezers van Trouw maar op na: mensen worden tegenwoordig tien tot twintig jaar ouder dan in de tijd van Drees. Dan is het niet meer dan redelijk de lasten van deze crisis eerlijk over de generaties te verdelen. Bovendien sluit het aan bij de trend dat er van jaar op jaar al langer doorgewerkt wordt.
Zijn verhaal lijkt op de lezers weinig indruk te maken. Zij bestookten hem met opmerkingen als: je veroordeelt velen tot de bijstand. Er is immers geen baas te vinden die vijftigplusser in dienst wil nemen. Liever een slecht sprekende Pool, dan een oudere werknemer. En wat moeten we met al die mensen die letterlijk versleten zijn, zoals de metselaar, de onderwijzer of zorgverlener? Militairen mogen al op hun 55ste met pensioen. Ligt het daarom niet meer in de rede de pensioenleeftijd te verlagen tot 63, zoals GroenLinks voorstelt?
Als gezegd, Donner zag het buitje wel hangen. Het minister-zijn is geen genoegen, sprak hij. Een welverdiende borrel of sigaret op het coalitieakkoord had hij daarom resoluut afgeslagen. De coalitie had zich slechts in het onvermijdelijke geschikt. Voor het overige wees hij op de zegeningen van het langer door kunnen en mogen werken. De 67-grens dus als een stap vooruit. Vandaar mijn vraag of deze verhoging een stap vooruit of een stap achteruit is?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.