De Hongaars-Britse socioloog Frank Furedi ziet een crisis in het onderwijs. De school verwordt tot een therapeutische werkplek.
Scholen die met ouders contracten afsluiten over hoe de kinderen op te voeden, zoals ze in Rotterdam van plan zijn? „Grote onzin.”
Drop-outs weer op scholen krijgen met liefde en aandacht, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onlangs adviseerde? „Flauwekul.”
Centra voor jeugd en gezin om opvoedproblemen aan te pakken, zoals het kabinet opzet? „Die centra zullen de problemen juist verergeren.”
Het mag duidelijk zijn uit: de Hongaars-Engelse socioloog en tegendraadse denker Frank Furedi ziet niets in de huidige richting van het jeugd- en onderwijsbeleid. Tijdens het ontbijt in zijn hotel gisterochtend schoffelt hij het ene na het andere heilige huisje omver, maar niet zonder argumenten.
’Het spoor bijster’ luidde de titel van de Kohnstammlezing die hij later in de middag in de aula van de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam gaf. Het huidige onderwijs, zowel in Engeland als in bijvoorbeeld Nederland, zit in een diepe crisis, betoogt deze hoogleraar van de universiteit van Kent.
Furedi werkt aan een boek over het onderwijs. Het verschijnt komende herfst en krijgt waarschijnlijk de veelzeggende titel ’Wasted’. „Dat slaat op zaken als verspilde tijd, verspild talent, verspild geld.”
Een school, stelt hij, is steeds minder een instituut waar de normen en waarden van de samenleving worden overgedragen. Het onderwijsdoel is ook allang niet meer om leerlingen intellectueel te prikkelen. „Het onderwijs is steeds meer anti-kennisoverdracht geworden. De focus ligt veel meer op het aanleren van emotionele vaardigheden: een gevaarlijke trend.”
Het idee voor zijn boek komt voort uit de ervaringen met zijn eigen, nu 13-jarige zoon. „Mijn vrouw en ik waren geshockeerd toen hij zes jaar was en wij langs verschillende Britse scholen gingen om er eentje uit te zoeken.” Allereerst omdat alle schooldirecteuren als eerste meldden: dit is een veilige school. „Vroeger hoorde je dat niet, dan ging het erom: deze school is goed in wiskunde.”
En vervolgens kregen ze op een school te horen: „U zult wel blij zijn, want wij hebben hier een uitstekend dyslexieprogramma. Mijn vrouw vroeg: waarom vertelt u ons dit? Het antwoord was: u hebt een zoon en jongens zijn vaak dyslectisch. Weer niet: wij zijn heel goed in rekenen. Wel: u heeft een probleem.”
Ook zijn ervaringen als hoogleraar motiveerden hem zich in het onderwijs te verdiepen. „Vroeger kon je ervan uitgaan dat leerlingen van 18, die van school komen, wisten wat de industriële revolutie was, tegenwoordig kan dat niet meer.”
In de samenleving is ter discussie komen te staan of het overbrengen van kennis wel zinvol is, ontdekte Furedi. Scholen worden daarentegen steeds vaker gezien als nuttig voor allerlei wenselijke sociale hervormingen. De focus is verlegd. Niet alleen probleemgedrag van de leerlingen zelf moet worden aangepakt op school, zelfs hun ouders moeten aangezet worden tot verbetering.
In een plan zoals de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk deze week presenteerde om scholen met ouders contracten te laten tekenen, ziet hij de bevestiging. „De relatie tussen leraar en ouder moet informeel zijn, maar wordt daar nu geformaliseerd.” Dat leidt tot conflicten waar de kinderen niet bij gebaat zullen zijn.
„In zo’n contract staat: u moet dit en dat doen. Houdt de ouder zich er niet aan, dan volgen maatregelen met het contract in de hand. En omgekeerd gaat de ouder natuurlijk ook de school verwijten maken.”
Op zich zijn er reële problemen, erkent hij: kinderen komen bijvoorbeeld zonder ontbijt naar school. „Die moet je aanpakken: in Amerika zijn er ontbijtprogramma’s. Maar ouders die vaak al veel problemen hebben er onder dwang nog een probleem bij geven in de vorm van zo’n contract: dat werkt averechts.”
Zo krijgt ook het recente WRR-advies over voortijdig schoolverlaters, dat onder leiding van Pieter Winsemius tot stand kwam, zijn goedkeuring niet. Om het aantal drop-outs te verlagen moeten scholen voor leerlingen die thuis veel problemen – armoede, schulden, misbruik – meemaken, met liefde en aandacht worden opgevangen, luidt dit advies.
Furedi: „Dat is zo kortzichtig. De voornaamste focus wordt dan het welbevinden van de leerlingen, of ze wel gelukkig zijn. Leerlingen voelen zich helemaal niet gelukkig als ze zo benaderd worden. Steeds meer zullen zich gedeprimeerd voelen.”
„In Engeland wordt psychologische hulpverlening gegeven aan leerlingen bij de overgang van de lagere naar de middelbare school. Die stap naar de grote school is eng. Dat vond ik vroeger ook. Nu wordt er een traumatisch ding van gemaakt.”
Hetzelfde geldt voor geen zin hebben in school. „Had ik ook wel eens niet, maar nu heet het: een schoolfobie. Of zenuwen voor een examen: dat heet nu faalangst of depressie. Medische taal die de leerlingen overnemen en ze dan ook als veel ernstiger gaan ervaren.” Zo schep je uiteindelijk de problemen, die je juist wilde voorkomen.
Het is de overheid die dit fenomeen sterk in de hand werkt met bijvoorbeeld programma’s om opvoedproblemen vroeg aan te pakken, vervolgt Furedi. De Nederlandse Centra voor Jeugd en Gezin zijn daarmee druk bezig, het kabinet investeert er fors in. Nog voor een kind geboren is, worden de ouders al gescreend om te zien of er een verhoogde kans is dat hun kind later problemen krijgt.
„Dat is heel gevaarlijk,” reageert Furedi. „Het gaat uit van een fatalistische kijk op het menselijk bestaan. Daarmee neemt de kans dat de negatieve verwachting uitkomt, sterk toe. Ouders worden in deze centra geïnfantiliseerd, want de overheid gaat ervan uit dat arme ouders stom zijn en niet kunnen opvoeden.”
Furedi geeft toe dat statistieken aantonen dat de kans dat een kind later problemen krijgt inderdaad groter is als het uit een arm, allochtoon of eenoudergezin komt. Dat de oplossing ligt in vroegsignalering op deze manier, gelooft hij niet.
„Wij, intellectuele slimme ouders, denken eerst: goed dat de overheid incapabele ouders aanpakt. Maar deze screening treft een veel grotere groep ouders. Daar zitten heel veel prima mensen bij, al zijn ze arm.”
Of het gaat zelfs over alle ouders. „Ze worden allemaal benaderd omdat ze mogelijk gaan falen. „Uiteindelijk is dit beleid destructief voor het familieleven.”
In zijn lezing schetste hij hoe het zover heeft kunnen komen. De voornaamste oorzaak is dat ouders onzeker zijn geworden over hun eigen kwaliteiten om kinderen op te voeden. Hun autoriteit staat ter discussie, onder meer door de opkomst van pedagogiek als wetenschap. „Ouders denken nu: voor opvoeding heb je een expert nodig.”
Internet maakt hen ook onzeker, ze denken dat hun kinderen meer weten dan zij. „Ouders hoor je zeggen: kinderen weten zoveel, het zijn genieën op het internet. Onzin, ze hebben het er leuk, ze spelen spelletjes en praten met elkaar. Een van mijn studenten deed onderzoek naar leerlingenblogs en weet u wat de meest uitgesproken woorden waren: ik verveel me.”
Scholen moeten daarom geen therapeutische werkplekken worden, maar gewoon weer gaan doen waar ze voor bedoeld zijn: onderwijzen. „Het overbrengen van menselijke kennis van de ene generatie op de andere is net zo belangrijk zijn als het voeden van een baby. We hebben onafhankelijke en capabele jonge denkers nodig.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.