*

 

Moeten we de tomatenplukkende of aspergestekende professor een aanwinst of juist een verarming van de arbeidsmarkt noemen?

Willem Breedveld − 07/03/09, 00:00

Decennialang was de ingenieur op de tram het schrikbeeld bij uitstek van een totaal ontregelde arbeidsmarkt. Zoiets overkwam werkloze ingenieurs in de uitzichtloze jaren dertig van de vorige eeuw, toen ze zich ondanks hun hoogwaardige, technische opleiding gedwongen zagen een baan te accepteren als conducteur op de tram. Zoiets onvoorstelbaars zou Nederland nooit meer mogen overkomen, was het stellige voornemen van het naoorlogse, welvarende Nederland.

Zover kwam het ook niet. Tot medio vorig jaar, toen het aanbod van werk groot was, minister Donner van sociale zaken laconiek aankondigde dat voortaan voor een werkloze na een jaar iedere baan passend is, ook als die ver beneden zijn niveau is en ook als het om seizoens- of uitzendwerk gaat. Deze week debatteerde een aarzelende Kamer over deze aanscherping van de Werkloosheidwet. Onder meer omdat inmiddels de werkloosheid snel oploopt en de noodzaak om werknemers te prikkelen om minder aantrekkelijke banen te accepteren, geringer lijkt te zijn.

Minister Donner gaf echter geen krimp. Ook bij een toenemende werkloosheid zal er een grote vraag naar arbeid blijven bestaan en dus loont het ook nu de moeite langdurige werklozen te dwingen elke baan te accepteren die hen aangeboden wordt. „Voor een hoogleraar, of een advocaat is het heel gezond om een tijdje tomaten te plukken in een kas”, betoogde hij. „Ook asperges steken is werk. Het is een uitstekende manier om tot zelfreflectie en tot inkeer te komen.”

Bij deze woorden zag ik onwillekeurig een bedaard, in driedelig grijs tomatenplukkende minister Donner voor mijn geestesoog opdoemen. Hoewel, zelfreflectie en inkeer zijn zulke vanzelfsprekende eigenschappen van deze bewindsman, dat het uit therapeutische overwegingen meer voor de hand zou liggen om Balkenende dit werk een tijdje te laten doen. Wellicht dat het een gunstige uitwerking zal hebben op zijn nog altijd onwaarschijnlijk snelle spreektempo.

Hoe het zij, blijft de vraag of we ons gelukkig mogen prijzen met dit afscheid van het jarenlang gekoesterde begrip ’passende arbeid’. Daarom som ik de belangrijkste argumenten voor en tegen nog maar eens op. Er voor pleit dat in beginsel alle werk belangrijk is. Tomaten plukken, de vuilnis ophalen, net zo goed als onderwijs geven, nota’s schrijven of studenten bezighouden. Als dat zo is, dan valt niet in te zien dat een hoogleraar beter thuis kan zitten met een uitkering, dan zijn handen te laten wapperen in een kas. Bovendien gaat het bij een uitkering om geld dat door medewerknemers is opgebracht.

Daartegen pleit dat tomatenplukken dankzij deze aangescherpte WW weleens een dure aangelegenheid kan worden. Zo voorziet de regeling erin dat het pluksalaris van de hoogleraar wordt aangevuld tot zeventig procent van zijn laatst verdiende loon, afhankelijk van zijn arbeidsverleden. Bovendien is er sprake van regelrechte kapitaalvernietiging. De hoogleraar heeft immers lang moeten studeren en dat heeft de samenleving een lieve cent gekost. Voorts is er het risico van verdringing, van de hoogopgeleiden die de laagopgeleiden wegdrukken op de arbeidsmarkt. Ten slotte: hoe ethisch is het om iemand min of meer tot arbeid te dwingen?

Werk, werk, werk, luidt het motto van achtereenvolgende kabinetten. Daarin past deze aanscherping. Toch vraag ik me af: moeten we de tomatenplukkende hoogleraar een aanwinst of een verarming van de arbeidsmarkt noemen?

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />