Draagmoeders hebben een slecht imago: ze worden geassocieerd met ’buitenlandse toestanden’ en geldzuchtige vrouwen. Gynaecoloog Roel Schats, van het Centrum voor hoogtechnologisch draagmoederschap, heeft last van die beeldvorming. Zijn draagmoeders zijn ’topvrouwen’ met een altruïstische inslag.
Heb je het al gehoord, van die draagmoeder die haar kind niet wilde afstaan? Of die het via internet verkocht aan de hoogste bieder? Dat soort vragen krijgt gynaecoloog Roel Schats wel eens op feestjes: „Ik zeg altijd maar: dat is niet in Nederland”.
Schats is verbonden aan het Centrum voor hoogtechnologisch draagmoederschap van VU Medisch Centrum (VUmc) in Amsterdam. Dat centrum is uniek in Nederland: andere ziekenhuizen branden hun vingers liever niet aan de draagmoeder met haar slechte imago.
„Ze zijn bang voor negatieve publiciteit”, denkt Schats, die zich doorgaans stilhoudt, omdat hij zijn werk niet in verband gebracht wil zien met ’buitenlandse toestanden’. Maar nu wil hij wel vertellen hoe zijn centrum werkt: „Wij zijn erbij gebaat dat de leek snapt wat wij hier doen”.
Dat heeft, om te beginnen, dus niets te maken met babyhandel of met vrouwen die zich verrijken ten koste van wanhopige, kinderloze stellen. Commercieel draagmoederschap is in Nederland verboden en dat is, zegt Schats, maar goed ook.
Het centrum van VUmc – geopend in april 2006 – werkt ook niet mee aan wat met een mooi woord ’laagtechnologisch draagmoederschap’ heet. Daarbij wordt de draagmoeder geïnsemineerd met het zaad van de wensvader; het kind is dus genetisch van haar. Voor deze handeling hebben de betrokken stellen eigenlijk geen dokter nodig.
Bij hoogtechnologisch draagmoederschap, waarin het centrum van VUmc is gespecialiseerd, is het kind genetisch voor 100 procent van de wensouders. Zij moeten in staat zijn om eicellen en zaadcellen te leveren en ondergaan een ivf-behandeling. Verloopt die goed, dan ontstaan er in het laboratorium uit hun ei- en zaadcellen embryo’s. Eén daarvan (nooit meer dan één, om tweelingzwangerschap te voorkomen) wordt vervolgens niet bij de wensmoeder geplaatst, maar bij een andere vrouw. Die staat het kind na de bevalling af aan de wensouders.
Voor deze behandeling – die in Nederland is toegestaan sinds 1997 – komt maar een heel selecte groep in aanmerking, vertelt Schats. „Hoogtechnologisch draagmoederschap is een ultimum refugium, een laatste toevluchtsoord voor paren die geen enkele andere mogelijkheid hebben om een eigen kind te krijgen.”
Daarbij gaat het om vrouwen die (sinds hun geboorte of door een operatie na baarmoederhalskanker) geen baarmoeder hebben, of een baarmoeder die zo misvormd is dat een zwangerschap onmogelijk is. Een derde, iets moeilijker te definiëren categorie, bestaat uit vrouwen wier gezondheid ernstig gevaar loopt als zij zwanger raken, bijvoorbeeld vanwege een hartaandoening.
Jaarlijks melden zich vijftien à twintig stellen bij het centrum aan. Zij hebben meestal zelf al een vrouw bereid gevonden om draagmoeder te zijn. Een zus, een schoonzus of een hele goede vriendin, die zelf al eens zwanger is geweest en zich zeer betrokken voelt bij het paar. Slechts één keer maakte Schats mee dat een stel met een onbekende draagmoeder, gevonden via internet, in zee wilde gaan: „Dat ging mis, die hebben wij geweigerd. Vrouwen die zich op internet aanbieden, hebben vaak niet de juiste motieven.”
Na de intake volgt een uitgebreid medisch onderzoek: Schats wil uitsluiten dat de wensmoeder toch zelf zwanger kan raken. Ook onderzoekt hij of de draagmoeder geen verhoogd risico heeft op zwangerschapscomplicaties. Daarna onderwerpt psychologe Anne Brewaeys de wensouders, de draagmoeder en haar eventuele partner aan een intensieve psychologische screening. Soms trekt de draagmoeder zich dan alsnog terug, vertelt Schats: ,,Ze heeft zich aangeboden uit medelijden, maar komt er tijdens de counseling achter dat het een impuls was.” Ongeveer de helft van de stellen valt tijdens dit proces af.
Hebben wens- en draagouders de screening met succes doorlopen, dan tekenen ze een contract dat bestaat uit 64 punten. Die beschrijven alle mogelijke vragen en dilemma’s waarvoor een zwangerschap de betrokkenen kan plaatsen. Wordt er bijvoorbeeld een vruchtwaterpunctie gedaan? Wat als dan blijkt dat het kind gehandicapt is? Hoe gaan wens- en draagouders na de geboorte met elkaar om?
Drie kinderen zijn er inmiddels geboren via het centrum van VUmc. Met hen, hun wensouders en de draagouders gaat het goed. De draagmoeders lijken deze zwangerschappen essentieel anders te beleven dan hun ’eigen’, juist omdat het kind genetisch gezien helemaal van de wensouders is. Dat maakt het, zegt Schats, voor hen ook mogelijk om het kind af te staan.
Schats toont een van de drie geboortekaartjes, waarop de wensouders de draagmoeder eren: ’Een groot gebaar van liefde heeft ons diep geraakt’. Op een tweede kaartje staat een indirecte verwijzing naar de bijzondere ontstaansgeschiedenis van het kind: dat kwam via ’een heuse engel’ bij zijn ouders terecht.
Eén van deze ’engelen’ stond eens met haar zwangere buik en haar eigen kinderen op het schoolplein, vertelt Schats. Andere ouders meenden in haar een gevoelloze, verdorven vrouw te zien: ze kreeg giftige vragen als: ’Hoe kún je dat doen, je kind weggeven?!’
Schats ervaart ’zijn’ draagmoeders anders: „Het zijn topvrouwen, die altruïstisch in het leven staan. Ze geven veel aan goede doelen, zijn hulpvaardig”. Hun geschenk aan de wensouders is groots, zegt hij, en misschien alleen te vergelijken met orgaandonatie. „Ga maar na: voor wie zou jij zelf zwanger willen zijn?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.