Zondag nam ik, vanuit het midden des lands, de trein naar Middelburg, een reis van tweeënhalf uur, om negen minuten muziek te horen. Niet dat ik niet wist dat de uitvoering zo kort zou zijn, nee, ik ging voor precies die negen minuten.
Het was een grijze dag, en het was koud, en de trein raakte al rijdende leger en leger tot ik in een volkomen leeg compartiment Roosendaal bereikte. Roosendaal, dat voelde al als het einde van de wereld, maar erachter lag nog een heel land, met Bergen op Zoom, dat vanaf het perron uitzicht bood op een braakliggend terrein waar kniehoog vergeeld gras over woekerde, en stille oorden als Rilland-Bath, Kruiningen-Yerseke en Kapelle-Biezelinge, dorpen, door een spoorlijn aaneengesmeed en verbonden door drie ontzielde stationsgebouwtjes – bij de een hing een affiche tegen de ramen met de mededeling ’tijdelijk bewoond’, de ander stond leeg en de derde stond te koop.
In Middelburg snelde ik diep in mijn jas gedoken naar de Markt, waar zich boekhandel, annex cultuurcentrum De Drukkerij bevindt. Daar presenteerde de dichter Peter Swanborn zijn bundel ’Een koud bad’, 24 gedichten over verdronkenen, waarvan er drie waren verklankt door componist Christian Blaha. Ze zouden ten gehore worden gebracht door een strijkkwartet en een bariton.
Negen minuten muziek.
Toen ik arriveerde, was het zaaltje vol, ik moest genoegen nemen met een plaatsje bij een half openstaande deur. Het was goed zo. Ik zou horen waarvoor ik gekomen was. Drie op muziek gezette gedichten over verdronkenen in Zeeland.
Onderwatergedichten, gezien vanuit het perspectief van de verdronkene. Bij Zeeland denk je aan de watersnoodramp, maar de dichter dacht ook aan andere verdronkenen. Een zelfmoord, een zwembadongeluk. De gedichten in de bundel dragen een naam, de naam van een fictief personage. Zoals: ’Emiel (72) uit Kortgene’. Of: ’Justus (33) uit Wolphaartsdijk’.
Of soms ook geen naam. Dan staat er dit:
Onbekende jongen in Zijpe
Iemand heeft mij neergelegd
Een droge kist in nat zand.
Water sijpelt door de naden.
Zij kenden mij niet, de mannen
deden zwijgend hun werk,
dachten dat het meisje naast mij
mijn zusje was, maar
ik ken haar niet,
al komen haar ogen, gesloten
als schelpen, mij wel bekend voor.
Ze ligt er mooi bij.
Zo stil, wil haar hand pakken,
maar mijn eigen hand
weet niet wat ik bedoel.
De jongen ligt, in de bundel, op de pagina naast die van het onbekende meisje in Zijpe. Ze zegt:
Ik zou hem willen vragen
naar zijn naam, of hij soms
familie is van, maar
mijn tong is van zout.
De bariton zong over de onbekende jongen. De regel ’ze ligt er mooi bij’ klonk hartverscheurend. Het duurde misschien maar negen seconden. Het was de hele reis waard.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.