*

 

Vertrouwenwekkende rechtspraak is essentieel voor onze rechtsstaat

07/01/09, 00:00

opinie Dat er een kloof tussen burgers en rechtspraak bestaat, is niet zo gek. Maar die kloof kan zeker kleiner, betoogt Gerritjan van Oven.

Opnieuw blijkt: er is een kloof tussen burger en rechter. Ons systeem van strafrecht werkt goed, zegt 69 procent van de ondervraagden in het Trouw-onderzoek ’De staat van het recht’. Dat is 7 procent minder dan in 2003. In de jaren negentig was dat percentage ongeveer even hoog, waardoor je zou kunnen concluderen dat er in dat vertrouwen eerder sprake is van schommelingen dan van een tendens.

De kloof bestaat eruit dat burgers – op grond van de informatie (krant, tv, en in veel mindere mate: eigen ervaring) – vinden dat rechters vaker en strenger zouden moeten straffen dan gebeurt. Dat is verklaarbaar als je bedenkt dat rechtspraak als overheidstaak is toevertrouwd aan beroepsrechters. Met een bepaalde opleiding. En – per zaak – kennis van het dossier. Het zou gek zijn als die beroepsrechters tot precies dezelfde uitspraken zouden komen als de burger, die zich baseert op krant of tv.

Anders dan in veel andere West-Europese landen doen we in Nederland niet aan lekenrechters of juryrechtspraak. Het is ook nog maar de vraag of die vorm van rechtspraak tot een kleinere kloof leidt: in Zweden (waar ze aan lekenrechtspraak doen) en Frankrijk (juryrechtspraak) ligt het vertrouwen in het rechtssysteem lager dan bij ons.

Maar de kloof moet natuurlijk ook niet breder worden (directe aanwijzingen dat dat gaat gebeuren staan er in het Trouw-onderzoek gelukkig niet). Vertrouwenwekkende rechtspraak is essentieel voor onze democratische rechtsstaat. Als een burger denkt dat er fouten worden gemaakt of als de uitspraken van de rechter niet worden begrepen, doet dat afbreuk aan het gezag van de rechter.

Daar is wel wat aan te doen. Allereerst moeten rechters er alles aan doen om geen fouten te maken. Worden er wel fouten gemaakt moet er alles aan gedaan worden om ze te herstellen.

Daarnaast zijn begrijpelijke vonnissen nodig. De rechter spreekt zich nu eenmaal in de eerste plaats uit door zijn uitspraak.

Helaas is een vonnis maar een gebrekkig communicatievehikel: meer dan de helft ervan bestaat uit wettelijk noodzakelijke formules die nauwelijks bijdragen aan werkelijke communicatie met de burger. De rest (de vaststelling van de feiten door de rechter, de motivering van het bewijs en de motivering van de straf) kan wél aan die communicatie bijdragen. Op voorwaarde dat dat begrijpelijk wordt opgeschreven én op voorwaarde dat de burger daar dan ook kennis van neemt! Een samenvatting van de uitspraak voor pers en burger kan daar goed bij helpen.

In de derde plaats communiceert de rechter tijdens de terechtzitting. Weliswaar met een beperkte groep burgers: de verdachte, slachtoffers, getuigen (actieve deelnemers) en belangstellenden en vertegenwoordigers van de media (passieve deelnemers). Ook daar komt het al of niet vertrouwen winnend optreden van de rechter over het voetlicht. Overigens: je kunt het als rechter nog zo begrijpelijk willen presenteren, een aantal formaliteiten zal toch moeten worden afgetikt.

Ik denk dat er op al deze fronten de laatste tijd wel vooruitgang wordt geboekt. Zoals door de voorbereiding van een ruimer herzieningsstelsel om fouten te corrigeren. Zoals door de invoering van een nieuw motiveringssysteem dat veel meer gewoon taalgebruik in uitspraken mogelijk maakt. En zoals door interne evaluaties van zittingen waarbij opnames van rechters worden gemaakt die dan na afloop kritisch bekeken worden.

De overbrugging van de kloof tussen burger en rechter is dé uitdaging voor 2009.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />