*

 

We zijn er niet strenger op geworden

Ivo Barends, Joop Bouma − 07/01/09, 00:00

De burger is kritisch over de rechtspleging in Nederland, blijkt uit het Trouw-onderzoek ’De staat van het recht’. Maar de standpunten worden door de jaren heen niet scherper.

Ook de komst van twee nieuwe partijen op de rechterflank van het politieke spectrum heeft er niet toe geleid dat Nederlanders extremer zijn gaan denken over strafrecht, strafmaat, allochtonen en misdaadbestrijding. Het lijkt er eerder op dat de PVV van Geert Wilders en TON van Rita Verdonk gevoelens van onvrede hebben gekanaliseerd. Na het verdampen van de Lijst Pim Fortuyn hebben de LPF-kiezers daar een nieuwe plek gevonden.

Aanhangers van die partijen kiezen doorgaans voor meer uitgesproken standpunten: alleen in de PVV- en TON-aanhang is een meerderheid voor herinvoering van de doodstraf in Nederland, 69 en 61 procent.

Dat is een flink verschil met de Nederlandse bevolking als geheel: 38 procent is voor de doodstraf. In 1998 was dat nog 46 procent (al moet daarbij worden opgemerkt dat in 2003 en 2008 de deelnemers aan de steekproef het antwoord op de vraag konden ontwijken door ’geen mening’ op te geven. In 2008 had 7 procent van de ondervraagden geen mening). Ook op de stelling ’Het moet in Nederland worden toegestaan dat mensen een vuurwapen in huis hebben om zichzelf en hun naasten te beschermen’ werd afwijzend gereageerd: 90 procent van de mensen ziet daar niets in.

Lakmoesproef-vragen noemt de Rotterdamse criminoloog Henk van de Bunt die vragen over doodstraf en vuurwapenbezit. „Als je vraagt naar strenger straffen, zegt altijd zeventig procent ’ja’. Maar als je gaat vragen naar legalisering van vuurwapenbezit of naar de doodstraf, dan krijg je een serieus beeld van het klimaat.”

Bij de meeste Nederlanders, kortom, overheerst gematigdheid. Maar: „Uit de steekproef blijkt dat toch een behoorlijk grote groep vindt dat justitie strenger moet optreden”, zegt senior onderzoeker criminologie Judith van Erp van de Rotterdamse universiteit. „Mensen willen maatregelen zien.”

Bestrijd criminaliteit met een strikter vreemdelingenbeleid, zeggen zeven van de tien Nederlanders (71 procent). In 1998 was 90 procent die mening toegedaan. Het zijn opvallende uitkomsten, vindt Van Erp: „Het is eigenlijk vreemd dat die opvatting nu nog breed wordt gedeeld. Het vreemdelingenbeleid is de afgelopen jaren al zeer aangescherpt, het kan moeilijk stringenter.”

Van de Bunt ziet de daling van 90 naar 71 procent juist als een interessant signaal. „De angel lijkt uit de discussie te zijn. Onlangs nog was er landelijke deining over buschauffeurs die in Gouda niet meer een wijk wilden inrijden wegens agressie van Marokkaanse jongeren. De wereld was te klein. Je zag krantenkoppen in de trant van ’Nederland staat in brand’. Maar die radicale toon vind je niet terug in de uitkomsten van deze steekproef.”

Burgers reageren vaak uit een soort reflex kritisch op vragen over het strafklimaat, over fouten bij justitie of over het (te milde) gevangenisregiem, denkt Van de Bunt. „Juist de missers krijgen in de media altijd aandacht. Dat vertekent het beeld. Driekwart van de burgers vindt dat rechters te soepel zijn met straffen. Die opvatting is al jaren constant, terwijl er veel strenger wordt gestraft in Nederland dan tien jaar terug. Bij geweldsdelicten is de strafmaat fors opgeschroefd. Er worden vaker dan ooit levenslange gevangenisstraffen opgelegd.”

De criminoloog wijst op een experiment dat de psycholoog Wagenaar onlangs hield bij de rechtbank in Utrecht. Hij legde negen complete strafdossiers voor aan rechters en leken en bekeek of er verschillen waren in de beoordeling. „De vonnissen ontliepen elkaar nauwelijks, en dat gold ook voor de redeneringen van rechters en leken. Daaruit blijkt dat burgers heel anders oordelen als ze van de feiten in een zaak op de hoogte zijn.”

Toch vindt een meerderheid van de ondervraagden dat politiemensen en rechters gestraft moeten worden als ze fouten maken bij hun onderzoek of tijdens de rechtszaak. Dat is niet zo opmerkelijk, vinden Van de Bunt en Van Erp. De Puttense moordzaak en de Schiedammer Parkmoord, waarbij verdachten ten onrechte hebben vastgezeten, liggen nog vers in het geheugen. Toch moeten die gerechtelijke dwalingen niet leiden tot te rigoureus ingrijpen, vinden beide criminologen. Van de Bunt: „Ik zou niet graag zien dat tegen rechters of politiemensen een strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld na een fout. Maar een grote professionele fout zal toch wel invloed hebben op de carrière van zo’n functionaris. Dat mag je hopen.”

Van Erp is daar niet zo gerust op. „Ik vraag me af of daar intern voldoende van wordt geleerd. Het ontbreekt in ieder geval aan openheid over dit soort zaken. Bij andere beroepsgroepen zien we een tendens naar meer transparantie, ook als er fouten zijn gemaakt. Kijk maar naar de publicatie van inspectierapporten over falende artsen en ziekenhuizen. Als een rechter of politieman ernstige fouten heeft gemaakt, dan zou een rechtbank of een politiekorps de samenleving in ieder geval moeten informeren over de manier hoe daarop intern is gereageerd. Want er is een toenemende behoefte in de samenleving aan verantwoording. Je kunt niet volstaan met de sussende mededeling ’het onderwerp is intern aan is de orde geweest’.” Maar strafrechtelijke sancties tegen falende rechters of agenten gaat ook haar te ver. „Ik ben bang dat je dan risicomijdend gedrag krijgt. Dan durven rechters straks geen ingewikkelde, risicovolle zaken meer aan te pakken. Bovendien, vaak is een fout – hoe ernstig ook – niet toe te rekenen aan één persoon. Niet zelden is er sprake van een systeemfout, dan is het een beetje zuur om daarvoor één persoon aansprakelijk te stellen.”

Er moet een onafhankelijke, externe instantie komen die fouten in het justitieapparaat onderzoekt, vindt Van de Bunt. Die instantie moet nagaan welke lessen de justitiële organisaties kunnen trekken uit individuele fouten. „Bij de rechterlijke macht heerst er toch nog steeds een te gesloten cultuur. Niet duidelijk is of en hoe mensen worden aangesproken op professionele fouten, en belangrijker nog is dat niet duidelijk is welke organisatorische consequenties worden getrokken.”

Ditzelfde geldt eigenlijk voor het Openbaar Ministerie, zeggen de criminologen. „Zo’n zaak als tegen de Hells Angels”, zegt Van de Bunt, „die stukliep omdat de politie met medeweten van de officier van justitie tapgesprekken tussen advocaten en verdachten in het dossier had laten zitten. Dat was een gezichtsbepalende zaak voor het OM. Het ging er toch om dat dat imago van de Hells Angels van onoverwinnelijkheid zou worden doorbroken? Ik vraag me af of minister Hirsch Ballin heeft laten uitzoeken hoe deze zaak zo kon aflopen en, als hij dan heeft gedaan, welke consequenties dat heeft gehad.”

Nederlanders gaan anders denken over de rol die overheid, de staat, mag spelen, constateren beide criminologen. Van de Bunt: „Vroeger mocht de staat geen zedenmeester zijn. Nu zie je dat meerderheden vinden dat de staat de namen van zedendelinquenten moet publiceren, dat de staat de coffeeshops moet sluiten, dat het alcoholgebruik bij jongeren moet worden teruggedrongen, dat roken in het openbaar verboden wordt – daaruit blijkt dat de opinie over de rol van de overheid aan het veranderen is: de staat mag wel zedenmeester zijn.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />