opinie ’De mens is een dier maar hij zou het kunnen weten’. Zo luidt de titel van een dichtbundel van J.P. GuĆ©pin. De veronderstelling is dus dat een beest zich niet van zijn eigen beestachtigheid bewust is.
Maar waarvan dan wel? We weten het niet. Ik luister altijd met verbazing naar vogelaars en andere dieruitleggers die lijken te weten wat dieren beweegt. De tijger loopt onrustig heen en weer, want hij ruikt een concurrent. De antilope spitst de oren omdat er honderd kilometer verderop regen aankomt. Het lijken allemaal menselijke of vermenselijkte vertalingen van dierlijke gewaarwording. Hoe het zich precies in een dier afspeelt, weten we niet. Tjielp. Boe. Raadsels. Remco Campert, geïnterviewd op het Boekenbal, stelde vast dat hij toch makkelijker over mensen schreef. Atte Jongstra vertelde over de warme gevoelens als hij op zijn Franse landgoed een egeltje tussen het hakhout aantrof. Een menselijke emotie; van wat egels voelen als ze mensen tussen het hakhout aantreffen, hebben we geen flauw benul. Het begint al in onze jeugd. Kikkers die verliefd zijn op een eend, konijnen die hun eerste schooldag beleven. Het enige dier dat zich structureel in de Nederlandse literatuur gevestigd heeft, is een beer in een ruitjesjas en met een kasteel. ’Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterlijk ongedierte was veranderd.’ Daaraan merk je direct al dat hij niet echt een kever kan zijn geworden. Kevers realiseren zich nooit dat ze de vorige dag nog een mens waren (ik weet het bijna zeker of is ook dat projectie?). Dat is dan ook de paniek die me bevangt als ik aan de reïncarnatiegedachte denk, dat ik een olifant, een aarsmade wordt zonder het me te realiseren.
Als we een hond tekenen doen we er een ballonnetje bij met een worst, waarvan het dier wordt verondersteld te dromen. Maar hebben we een flauw idee van hondendromen? Kortom, ik snap niks van ze. Elk musje, elke hommel is voor mij een groot mysterie. Toch kunnen we, ondanks hun raadselachtige geesten, met de meeste gedomesticeerde dieren rustig samenleven. Maar zo nu en dan begint een paard onverwacht te steigeren, of springt een kat als een geĆ«lektriseerde bal door de kamer om iets wat wij niet zien. De kolder. De droes. Dat kennen wij mensen niet zo. Of toch? Eens in de zoveel tijd laadt een onschuldig, saai ogend joch, op een ochtend een pistool, trekt een gevechtspak aan en richt een bloedbad aan tussen mensen die zich van geen kwaad bewust zijn. Misschien is dat het moment dat hij even in een dier verandert, is zo’n zinloze moordactie een rudiment van onze vroegere staat, zoals ons stuitje ons herinnert aan onze voormalige staart. De omstanders staan er verbijsterd bij, tellen de slachtoffers, begrijpen niet wat de jongen bezield kan hebben. Springende kat, schrikkend paard. Connie Palmen zei op alweer dat Boekenbal dat dieren erger waren, dat mensen tenminste nog nadachten voor ze iemand een mes in de rug staken. Maar wat helpt dat als je toch steekt? Soms is de mens een dier dat het niet weet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.