In de afgelopen jaren kozen gemiddeld 97 scholieren ervoor om Duits te gaan studeren. Let wel: 97 in heel Nederland. Niet al die studenten maken hun opleiding af. Niet iedereen die de opleiding wèl afmaakt, gaat voor de klas staan.
Duits is een schoolvak, op alle 700 scholen voor voortgezet onderwijs. In de komende jaren gaan veel van de bevoegde docenten Duits die nu nog voor de klas staan, met pensioen.
De situatie voor Duits is het meest dramatisch, maar voor andere schooltalen – Frans, Latijn, Grieks – is er niet veel méér reden tot optimisme.
Alle reden dus om uit te kijken naar wat de commissie ‘Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen’ over dit urgente vraagstuk zou schrijven. Haar rapport – Duurzame Geesteswetenschappen – werd half december gepresenteerd. In een fraai uitgegeven boekje schetst de commissie het maatschappelijk belang van de taal- en cultuurwetenschappen en de recente ontwikkelingen in de verschillende disciplines. Vervolgens analyseert zij helder de oorzaken van de bedreigde toestand waarin die zich bevinden. De gewenste oplossingen worden opgesomd met de kanttekening dat verschillende problemen onderling samenhangen en ook in samenhang moeten worden aangepakt. Die oplossingen spitsen zich nogal toe op actoren in de academische wereld zelf: de universiteiten, KNAW, NWO. De minister komt uitsluitend in beeld als het gaat om het geven van geld; over de verdeling daarvan moet een landelijk regie-orgaan beslissen.
Maar intussen gaan al die leraren met pensioen, intussen moeten scholieren een studie kiezen. Dus is het belangwekkend om te weten wat de commissie te zeggen heeft.over het specifieke probleem van de discrepantie tussen de vraag naar leraren en de instroom in taalstudies.
Dat blijkt nogal mager. Onder het kopje `Nadelige kleinschaligheid’ wordt wat verhullend gesproken over de `Kleine letteren’, en over `vermijdbare verkokering’. Gaat dat over de studies Frans en Duits? Slaat `kleine letteren’op studentenaantallen? Onder het kopje ‘Onderbenutting maatschappelijke uitstraling’ wordt gemeld dat door de sterke afneming van de stroom van leraren naar het onderwijs `er van een intensieve relatie tussen de geesteswetenschappen en het voortgezet onderwijs nauwelijks meer sprake is’. `Deze vervreemding is voor beide sectoren te betreuren’.
Het is begrijpelijk dat de commissie een beknopt, leesbaar rapport op hoofdlijnen heeft willen uitbrengen. Maar hier lijkt het majeure probleem van de dreigende teloorgang van universitaire talenstudies die ook schoolvakken zijn, onder de mat te verdwijnen. Het gaat niet alleen om een wetenschappelijk probleem, al is het dat óók: bij de universiteiten leeft vaak te weinig het besef dat aantrekkelijke nieuwe multidisciplinaire opleidingen als regiostudies of Europese studies alleen maar kunnen bestaan bij gratie van de aanwezigheid van basisdisciplines die de wetenschappelijke diepgang daarvan kunnen borgen. Maar daarnaast en vooral is het onacceptabel dat het vreemde-talenonderwijs op school voortaan wordt gegeven door leraren die zelf in de klas de betreffende taal nauwelijks durven te spreken (komt helaas veel voor), of door leraren die wel taalvaardig zijn, maar geen enkele ervaring hebben met de didactiek van het vreemde-talenonderwijs. Zeker nu de roep om academisch gevormde leraren voor de klas steeds luider wordt, is dat een probleem van ons allemaal: óók van de werkgevers, óók van de ouders die zich hier terecht zorgen over maken, en zeker ook van de minister van OCW, die immers ook de zorg voor het voortgezet onderwijs heeft. En daarmee is het ook onze gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Vergroten van de instroom staat niet bij de oplossingen in het rapport genoemd. Toch is het een van de sleutelwoorden voor de aanpak. School en universiteit hebben elkáár nodig: om ervoor te zorgen dat meer scholieren kiezen voor een talenstudie en zo het vakgebied, de kwaliteit van de academische studie en daarmee weer de kwaliteit in het voortgezet onderwijs op peil te houden. Voor de bètastudies, waarvan een aantal in de jaren negentig ver onder de overlevingsnorm dreigde te zakken, zijn de afgelopen jaren vele miljoenen besteed aan het stimuleren van een positieve studiekeuze. Voor die acties namen verschillende ministeries en het bedrijfsleven mede verantwoordelijkheid, met uiteindelijk aantoonbaar resultaat.
Een landelijk platform om de keuze voor taalstudies te stimuleren, mogelijkheden voor wederzijds inspirerende contacten tussen opleidingen en scholen, aanstekelijke promotiecampagnes - net als het geval was bij de bètavakken is het allemaal nodig. Dat zoiets een lange adem vergt, hebben we kunnen zien. Maar ook dat het werkt. En dat is in ons aller belang.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.