Verscholen in het idyllische landschap van het Britse Lake District ligt een van 's werelds meest roemruchte nucleaire installaties. Een halve eeuw kernindustrie heeft hier onuitwisbare sporen achtergelaten. De nabijgelegen Ierse Zee is radioactief en zelfs de duiven zijn besmet.
Sellafield, nucleair complex met in het hart de opwerkingsfabriek Thorp. Waar de luidsprekers dag en nacht roepen dat alles veilig is.
Shriek . . . plok. Shriek . . . plok.” De continue signaaltonen van de luidsprekers reiken tot in de verste uithoeken van de gebouwen. “Shriek . . . plok. Shriek . . . plok.” Het is een geluid dat doet denken aan de trommels waarmee ooit de galeislaven werden opgezweept. Maar hier lijkt niemand zich iets van de dreun aan te trekken, het zijn alleen de bezoekers die zich voortdurend door de tonen achtervolgd voelen.
Voor de mannen die in Sellafield werken, is de dreun de hartslag van hun fabriek. Zo lang ze dit horen, is er niets aan de hand. “Alles is veilig”, roepen de luidsprekers eigenlijk. “Shriek . . . plok.” Pas als het geluid weg zou vallen, of over zou gaan in een lang continu signaal, wordt het tijd om het vege lijf te redden.
Maar er valt hier niets meer te vrezen, wordt de bezoekers van alle kanten duidelijk gemaakt. Sellafield is veilig, vertellen de voorlichtingsfolders. Er is hier in geen tijden meer een ongeluk gebeurd, is de boodschap van de statistieken die overal in de fabriek zijn opgehangen. We voldoen ruim aan de normen die de overheid en wijzelf ons opleggen, antwoorden de gidsen steevast.
Toch is er een strenge politiebewaking en is het verboden te fotograferen. Iedereen wordt in beschermende kleding en schoeisel gehesen, krijgt een veiligheidsbril op en wordt op radioactieve besmetting gecontroleerd.
Maar het zijn vooral de schrille tonen van de luidsprekers die de bezoekers eraan herinneren waar ze zijn. Dit is Sellafield, de roemruchte opwerkingsfabriek aan de Ierse Zee, de zwakke schakel in de kernenergiecyclus. De geschiedenis van Sellafield is een aaneenrijging van ongelukken en schandalen: de militaire connectie, de grote brand, de verhalen over leukemie en plutoniumdumpingen, de radioactieve lozingen die tot bij de Noorse kust te meten waren.
Die geschiedenis begint aan het einde van de Tweede Wereldoorlog als ook de Britse regering wil kunnen beschikken over de atoombom. Om the big stick van lading te kunnen voorzien moet men een plutoniumfabriek hebben. Op de zoektocht naar een geschikte locatie valt het oog op een oude munitiefabriek, genoemd naar twee nabijgelegen boerderijen: Low en High Sellafield.
Het is een ideale plek: reeds in bezit, gunstig gelegen aan zee en ver weg van een lastig parlement in Londen. Het project is top secret: de fabriek is op geen enkele stafkaart terug te vinden en voor de zekerheid doopt men het terrein om tot Windscale.
In 1952 kan de bouw beginnen. Er verrijzen twee kerncentrales waarin uranium zal worden omgezet in plutonium. Kerncentrales is een wat groot woord, het zijn in feite slechts grote grafietblokken met horizontale gaten. Als er aan de ene kant een uraniumstaaf naar binnen wordt geschoven, valt er aan de andere kant eentje uit die dan voor een deel uit plutonium bestaat.
De warmte die tijdens de omzetting vrijkomt is voor de militairen slechts een lastige bijzaak. Beide centrales worden met lucht gekoeld en krijgen hoge schoorstenen die de vrijgekomen kernenergie uitstoten. Deze twee Windscale piles domineren de eerste jaren het aangezicht van het complex.
Vijf jaar later gaat het fout. Tijdens een routinecontrole in oktober 1957 heeft zich in één van de centrales stralingsenergie opgehoopt in het grafietblok. Deze zogeheten Wigner-energie komt plotsklaps weer vrij en jaagt de temperatuur van het grafiet omhoog.
De operators hebben niets in de gaten. De meters die hun over het binnenste van de reactor moeten inlichten, geven hun informatie maar traag door. Ongewild verergeren de operators daardoor het ongeval. Als het grafiet vlam vat, is er geen houden meer aan.
Een enkeling probeert nog met loden pijpen, bezemstelen, of wat hij maar kan grijpen, de uraniumstaven uit het grafiet te stoten. Het voorkomt niet dat een grote hoeveelheid radioactiviteit de lucht in wordt geslingerd. Tot in de wijde omtrek moet de melk vernietigd worden. De reactor verdwijnt in een sarcofaag van beton, maar de naam Windscale staat sindsdien stevig op de wereldkaart - én Sellafield, want in 1982 krijgt het complex weer zijn oude naam terug.
Het landschap van het Lake District is eigenlijk te idyllisch voor een nucleair industriecomplex. Glooiende, grasgroene heuvels, hier en daar een plukje huizen of bomen, vele kuddes schapen omringd door de typische Engelse muurtjes, een enkel wandelpad dat in het niets verdwijnt, en van tijd tot tijd een majestueus uitzicht op de Ierse Zee.
Juist als de moderne beschaving na de zoveelste kronkel in de weg definitief achtergelaten lijkt, verschijnen vier dampende koeltorens in beeld. Vaak worden deze torens afgeschilderd als het hart van het Sellafield-complex, maar in feite zijn het traditionele installaties die warmte afvoeren.
Wel is het zo dat de vier torens horen bij evenzoveel kerncentrales maar ook dat is niet het puikje van moderne technologie. Integendeel: de vier zogeheten Calder Hall kerncentrales zijn de oudste commerciële kernreactoren ter wereld.
Al vrij snel vonden de militairen het toch wel zonde om de warmte van hun plutoniumfabriek door de schoorsteen af te voeren en besloten ze om er elektriciteit mee op te wekken. In 1956 mocht de jonge koningin Elizabeth de centrales openen.
De vier draaien nog steeds. Het zijn eigenlijk museumstukken: zeer overzichtelijk, bijna educatief - je ziet meteen waar alles toe dient - maar een volkomen achterhaalde technologie: een inefficiënt gebruik van de splijtingsenergie, een controlekamer uit het jaar nul en een noodstopsysteem dat met de hand moet worden bediend. We need a brave man to do this, grapt de gids.
Hij haalt zijn schouders op bij de continentale scepsis. Waarom zouden ze de centrales buiten bedrijf stellen? Zo redeneert een Brit niet. Ze doen het toch nog goed? En bovendien, de centrales zijn 25 jaar geleden afgeschreven. Ze zijn dus erg goedkoop in gebruik. Vorig jaar nog is de bedrijfsvergunning verlengd tot 2007.
Op een steenworp afstand van Calder Hall ligt de gloednieuwe opwerkingsfabriek Thorp. Het is de derde in zijn soort op Sellafield. Thorp kostte bijna tien miljard gulden en werd na een ontwerp- en bouwperiode van twintig jaar in 1994 in bedrijf genomen.
Onder luid internationaal protest: niet alleen milieugroepen maar ook regeringen drongen er bij de Britten op aan de ingebruikneming van Thorp te heroverwegen. De fabriek met een jaarlijkse verwerkingscapaciteit van meer dan duizend ton nucleair afval zou alle voorgaande activiteiten doen verbleken.
Het contrast met de antieke kerncentrales is groot. Hier is alles nieuw, hypermodern en kolossaal. Vooral kolossaal. De nucleaire containers - 110 ton per stuk, met daarin vijf ton afval - worden via het dak het gebouw binnen getakeld en eerst in waterbassins opgeslagen. Gigantische waterbassins: 200 meter lang, 40 meter breed, 8 meter diep.
Nadat het afval vijf jaar lang in de bassins heeft mogen 'uitstralen', wordt het - onder water - vervoerd naar de hot cells, volledig afgesloten ruimtes waarin robotarmen het werk doen. Daar wordt het afval in kokend salpeterzuur opgelost, gescheiden en in vaten opgeslagen. Daar ook worden het ongebruikte uranium en het nieuw gevormde plutonium gezuiverd en voor hergebruik geschikt gemaakt.
Want dáár is het British nuclear fuels (BNFL), sinds 1982 de private eigenaar van het nucleaire complex van Sellafield, om te doen. Alle voorlichtingsfolders en welkomstwoorden melden dat kernenergie een verkwistende bezigheid zou zijn zonder een opwerkingsfabriek als Thorp.
De uraniumstaven die na een paar jaar uit een kerncentrale moeten worden verwijderd, zijn niet opgebrand. Integendeel, ze bestaan voor slechts 3 procent uit afval. De reden dat ze worden vervangen, is dat de staven in de hitte van de kernreactor te zeer zijn vervormd. Hun gedrag tijdens de kernreacties is daardoor onvoorspelbaar en dus onbetrouwbaar geworden.
De staven zijn tijdens hun verblijf in de kerncentrale zwaar radioactief geworden. Voor de Amerikanen bijvoorbeeld is dat de reden om ze maar zo snel mogelijk te dumpen. Het opwerken van nucleair afval vinden ze te gecompliceerd en riskant, en dus economisch niet interessant: nieuw uraniumerts is goedkoper dan opgewerkte brandstof.
Daar denken ze in Sellafield dus anders over. “Je gooit toch ook niet al het glaswerk weg”, vergelijkt de gids, “alleen omdat er voldoende zand is om nieuw glas te maken?”
Maar Thorp is geen glasfabriek. De kerncentrales, zoals Dodewaard, moeten flink betalen voor de opwerking van hun afval. In ruil daarvoor bergt Thorp het laag- en middelactieve afval op in betonnen vaten die in de buurt van het complex worden opgeslagen. Het hoog-radioactieve afval wordt tezijnertijd - als BNFL zijn eigen afvalvoorraad heeft weggewerkt - in keurig verglaasde vaten retour afzender gestuurd.
Voor het plutonium overigens, 1 procent van het afval, heeft Thorp een creatieve oplossing bedacht: men probeert deze splijtstof in de eigen Britse centrales te verbranden.
Op papier is de boekhouding zo sluitend: al het radioactieve materiaal vindt zijn einde in de betonnen vaten of keert op de een of andere manier terug naar de kerncentrales.
De geschiedenis van Sellafield heeft echter geleerd dat de praktijk anders is. In de 45-jarige historie van het complex is veel radioactief materiaal in de Ierse Zee terecht gekomen. “We hebben de afgelopen jaren honderden miljoenen ponden uitgegeven om de lozingen te beperken”, zegt de gids. “We lozen nu minder dan 1 procent van de hoeveelheden van begin jaren zeventig.”
De grafieken die overal in de gebouwen van Sellafield zijn opgehangen, onderstrepen zijn woorden: de grote bult die in 1973 zijn maximum had, is bijna volledig weggewerkt - al is het niveau door de inbedrijfneming van Thorp weer gestegen.
Maar het verleden blijft de fabriek achtervolgen. Elk bedrijfsongeval wordt steeds weer bijgezet in het uitgebreide kabinet van calamiteiten. Een gaswolk die uit Thorp ontsnapt, is altijd goed voor een stukje in de krant. Daar hebben de overname in 1982 door BNFL en de naamsverandering niets aan kunnen veranderen.
Dit voorjaar nog waarschuwde het Britse ministerie van landbouw voor de duiven in de omgeving van Sellafield. De vogels waren zo besmet met het radioactieve cesium dat consumptie ten zeerste werd afgeraden. Het eten van één duivenborstje zou een even grote stralingsdosis geven als een röntgenfoto; volgens de milieubeweging een schromelijk onderschatting van de risico's. De oorzaak: de duiven laafden en wasten zich in een waterplasje, vlak bij de sarcofaag.
BNFL zit ook figuurlijk met het verleden in zijn maag. De twee Windscale piles staan, samen met de oude opwerkingsfabriek, danig in de weg. Het opruimen is noodzakelijk, maar ook riskant. In de ongeluksreactor bevindt zich nog veel uranium, dat bij blootstelling aan de buitenlucht spontaan kan ontbranden. Hoe en waar het uranium precies zit, is na de hitte van de brand onduidelijk. De reactor moet laag voor laag worden afgeschraapt, terwijl proefboringen zicht moeten bieden op diepere gedeeltes.
De andere reactor, die een half jaar na het ongeluk werd gesloten, is weliswaar van zijn uranium ontdaan, maar daar heeft zich ook een flinke hoeveelheid Wigner-energie opgehoopt. Deze zou tijdens de sloop een fikse brand kunnen veroorzaken.
Het verleden ligt natuurlijk ook nog om de hoek. Deze zomer ontdekten duikers van Greenpeace in de kustwateren van Sellafield een 'enorme plutoniumbank'. De jarenlange militaire slonzigheid had zich in het slib opgehoopt.
Voor de milieuorganisatie was het de zoveelste reden om de fabriek te sluiten. De gids kan er slechts zijn standaardantwoord op geven: “Wij voldoen tegenwoordig aan de strenge normen die de overheid en wijzelf ons opleggen.” De luidsprekers roepen hem na: “Shriek . . . plok. Shriek . . . plok”. Alles is veilig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.