Dodewaard ligt stil, maar het dorp is nog lang niet van zijn centrale af. Kernenergie is een bijzondere technologie waar andere normen gelden.
Dat blijkt eens te meer nu de eigenaar van de kleine kerncentrale, de samenwerkende elektriciteits-producenten Sep, zijn plannen voor de definitieve afbraak op tefel heeft gelegd. Dodewaard gaat dicht, maar Wanneer?
Een kerncentrale sluiten en afbreken is geen kwestie van de stekker eruit en de bulldozer ertegen. Daar kunnen ze bij onze buren over meepraten.
In het Duitse Niederaichbach begon men in juli 1988, na een voorbereiding van zeven jaar, met de ontmanteling van een kleine kerncentrale, vergelijkbaar met die van Dodewaard. Een speciaal ontwikkelde robot die vanuit een afgeschermde controleruimte werd bestuurd, demonteerde en verzaagde stukje bij beetje het reactorvat. Het was een hels karwei, het kleinste schroefje kon al een probleem zijn. De klus duurde 38 maanden. Daarna volgde nog de sloop van onder andere de betonmantel. Na nog eens zeven jaar reed de laatste vrachtwagen met puin het terrein af. Kosten: 300 miljoen gulden, in plaats van de geraamde 100 miljoen.
Het Kernkraftwerk Lingen bij het gelijknamige plaatsje, net over de grens, had negen jaar gedraaid totdat men in 1977, na een ongelukje, besloot de centrale uit bedrijf te nemen. In 1985 werd vergunning verleend voor de gekozen procedure: de gebouwen zijn, op één toegang na, dichtgemetseld, alle leidingen verwijderd of afgesloten en het reactorgebouw wordt vanaf een veilige honderd meter afstand in de gaten gehouden. Tot het jaar 2013.
Het probleem heet: radioactiviteit. Niet alleen de brandstof en de afvalproducten daarvan stralen, maar ook het omringende staal en beton zijn door de voortdurende bestraling met neutronen zeer radioactief geworden. Er zijn zogeheten activeringsproducten ontstaan, zoals nikkel, kobalt of radioactief ijzer. Deze producten verliezen na verloop van tijd hun activiteit: van kobalt-60, de belangrijkste, is na vijf jaar de helft over.
Een geliefde strategie bij ontmantelen is daarom: wachten. Zweden houden daar niet van, Japanners kunnen het niet omdat ze de grond te hard nodig hebben, maar Duitsers hebben er zoals gezegd niet zo'n moeite mee, Fransen en Amerikanen wachten ook en Engelsen spannen de kroon: zij zitten 135 jaar stil voor ze met afbreken beginnen.
En Nederland is nog een onbeschreven blad. Letterlijk, de Kernenergiewet voorziet niet eens in de ontmanteling van de centrales. Men kon zich in de jaren zestig blijkbaar niet voorstellen dat die dingen ooit aan hun einde konden komen. Maar het zit eraan te komen. De Europese richtlijnen voor stralingsnormen schrijven voor dat elke lidstaat in het jaar 2000 het ontmantelen geregeld moet hebben.
Ons lag hier op schema totdat de Sep, de samenwerkende elektriciteitsproducenten, op 3 oktober 1996 aankondigden dat Dodewaard eerder dicht gaat. Gisteren maakte de Sep bekend hóe ze dat willen doen. Onderdeel van dat plan: januari 1999 vraagt de Sep vergunning aan voor de ontmanteling.
Wellícht is de vergunningverlener dan ook klaar. Over enkele weken behandelt het kabinet een wijzigingsvoorstel voor de Kernenergiewet. Als het niet tegenzit, is die procedure op tijd afgerond. Dan staat er in de wet dat het ontmantelen van een kerncentrale een vergunning behoeft. Waaraan die vergunning moet voldoen, is nog volstrekt onduidelijk. Er lopen studies, is het commentaar.
'De stekker eruit' heet in Dodewaard de buitenbedrijfstelling, en daar nemen ze flink wat jaren de tijd voor. Nadat een maand geleden de boriumcarbide regelstaven in het reactorvat werden gestoken en op die manier de centrale werd stilgelegd, begint men in september met het verwijderen van de 164 splijtstofelementen. Een routineklus voor het personeel: de centrale is ieder jaar gestopt om een derde van de brandstofelementen te vernieuwen. Een robotarm hijst de zeer radioactieve elementen uit het vat en deponeert ze in het opslagbassin.
Daar kunnen ze de komende drie jaar afkoelen, dat wil zeggen, het grootste deel van hun radioactiviteit afstaan. Medio 2000 worden ze afgevoerd naar het Britse Sellafield, waar in 2004 alle plusminus duizend elementen uit de Dodewaardse geschiedenis in één keer worden opgewerkt. Een deel komt als verglaasd, hoogradioactief afval terug en zal bij Borssele worden opgeslagen. Wat er met het geretourneerde uranium en plutonium moet gebeuren, is nog onduidelijk. Dodewaard zelf is dan wel ruim 99 procent van zijn radioactiviteit kwijt.
Tijdens de buitenbedrijfstelling wordt de centrale ook schoongemaakt. Het radioactieve stof wordt zo veel mogelijk van de muren geschraapt en opgezogen. De waterleidingen worden kurkdroog gepoetst en de elektriciteitskabels verwijderd. Alle overbodig geworden gebouwen gaan tegen de vlakte en het reactorgebouw wordt, op één toegangsdeur na, dichtgemetseld.
En dan kan, als het aan de Sep, de eigenaar van Dodewaard ligt, het grote wachten beginnen. De Sep wil de centrale vanaf 2003 bijna veertig jaar lang aan haar lot overlaten. Een kleine groep bewakers ziet toe dat het binnen niet te heet wordt of gaat roesten en dat geen mens of dier naar binnen glipt. In 2040 komen medewerkers terug om het karwei af te maken. De tijd heeft dan zijn werk gedaan: het staal en beton van de reactor hebben heel wat van hun straling verloren. Het sloopafval is weliswaar nog altijd radioactief, maar een stuk eenvoudiger te bergen. Een paar jaar later is het stukje dijk langs de Waal weer een groen weiland waar de koeien kunnen grazen.
Als het aan de Sep ligt. Gisteren maakte de Sep zijn plannen voor de ontmanteling van Dodewaard bekend. Plannen die geheel gebaseerd zijn op een eigen studie uit 1995, Buitenbedrijfstelling en ontmanteling van de kernenergiecentrales te Borssele en Dodewaard. Een studie die de Sep destijds liet uitvoeren om een idee te krijgen van de sluitingskosten van de twee kerncentrales zodat men wist hoeveel geld men daarvoor moest reserveren. In 1995 ging iedereen er nog vanuit dat de knop in beide centrales pas in 2004 om zou gaan.
De studie vergelijkt twee varianten voor Dodewaard: direct na de buitenbedrijfstelling ontmantelen of een wachttijd van veertig jaar inlassen. De varianten ontlopen elkaar niet veel. In beide gevallen straalt de centrale nog zoveel dat de slopers met berschermende kleding en afstandsapparatuur moeten werken. De hoeveelheid radioactief afval is nagenoeg gelijk, ruim 2 000 ton, en de risico's voor omgeving en werknemers zijn volgens de studie hetzelfde, verwaarloosbaar respectievelijk beheersbaar.
De verschillen betreffen de stralingsbelasting voor het personeel en de totale kosten. Als Dodewaard direct gesloopt wordt, lopen alle personeelsleden en slopers samen 6,6 Sievert straling op; bij een wachttijd van veertig jaar bedraagt dit nog altijd 4,6 Sievert. Ter vergelijking: de totale stralingsbelasting bij normaal bedrijf bedroeg in Dodewaard 1,5 Sievert per jaar.
Het grote verschil echter zit hem in de kosten. In absolute guldens maakt het niet veel uit - ontmanteling kost zo'n 350 miljoen gulden - maar omdat de Sep bij directe ontmanteling het geld bijna meteen op tafel moet leggen, komt deze variant veel duurder uit. In dat geval moet de Sep 295 miljoen reserveren. Bij een wachttijd van veertig jaar kan men het geld beleggen; volgens de studie hoeft er, uitgaande van een reële rente van vier procent, slechts 165 miljoen in de pot.
B. van der Sijde schrikt van deze cijfers. De docent natuurkunde en samenleving van de technische universiteit Eindhoven kan zich voorstellen dat de Sep een stilgelegde kerncentrale veertig jaar laat rusten als dat technische, milieuhygiënische of medische voordelen biedt. “Als je met de wachtvariant de risico's of het afvalvolume met een factor vijf of tien reduceert, ja dan heeft wachten zin. Maar dit is allemaal zo marginaal, het verschil in stralingsbelasting komt overeen met ruim een jaar normale bedrijfsvoering. Dodewaard heeft bijna dertig jaar gedraaid. Waar praat je dan nog over?”
Van der Sijde vindt het niet te verdedigen dat de centrale veertig jaar langer blijft staan, alleen vanwege dat financiële argument. Hij noemt het Hollandse koopmanszuinigheid: “Het gaat om een verschil van 130 miljoen gulden. Een bescheiden bedrag in deze wereld.”
Voor R. J. van den Berg van de stichting Laka, een kernenergie-onderzoekscentrum, gaan de bezwaren tegen een wachttijd dieper. “Als de Sep de ontmanteling veertig jaar uitstelt, mag een volgende generatie onze rommel opruimen. Dat is voor ons onaanvaardbaar.”
Na deze principiële hartekreet richt Van den Berg zijn pijlen op de plannen van de Sep. Het financiële verhaal is niet zo hard als het lijkt. “Ze geven in hun eigen rapport al aan dat er enkele onzekerheden zijn. Als de loonkosten stijgen of de kosten voor de opslag van radioactief afval, of als de rente tegenvalt, is dat vooral voor de wachtvariant ongunstig. Daarnaast is het bedrijfstechnisch erg onprettig om zo lang een financiële verplichting te hebben waarvan je niet zeker weet of je er aan kunt voldoen.”
Van den Berg heeft er een hard hoofd in. Er is nu al een gat in de begroting. Volgens het jaarverslag van 1995 zat er op 31 december van dat jaar 105 miljoen gulden in het ontmantelingspotje van Dodewaard. Een gat van zestig miljoen is een groot bedrag voor de centrale. De laatste jaren ging er gemiddeld tien miljoen per jaar in het potje. Naar verluidt wil de Sep het gat dichten uit de besparingen die het sluiten van Dodewaard zullen opleveren. De centrale draaide met een jaarlijks verlies van 45 miljoen gulden.
M. Ruesen van de Sep wil over de financiële kritiek graag zijn zegje kwijt. Vier procent reële rente is een normaal gegeven in de financiële wereld, ook pensioenfondsen werken ermee. Zijn collega P. van der Hulst doet er nog een schepje bovenop. Die 130 miljoen zijn voor hem een zeer overtuigend argument. “Oké, als er een risico zou zijn tijdens de safe enclosure (de wachttijd), dan zouden we zo snel mogelijk moeten ontmantelen. Maar het risico voor de omgeving is nul. En dan zeg ik, 130 miljoen is een gigantisch bedrag. Als politici of besluitvormers dan toch vinden dat de ontmanteling sneller moet, kennen ze het prijskaartje.”
Nee, als het aan de Sep ligt, staat de centrale nog tot 2044 in Dodewaard. En als het aan Van der Hulst ligt, misschien nog langer: “Hopelijk ziet Nederland tegen die tijd het belang van Dodewaard nog in. Als u het mij persoonlijk vraagt, zeg ik: we moeten die centrale niet afbreken, laten we er een industrieel monument van maken dat ons herinnert aan een mooi stuk techniek.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.