*

 

’Het liefst zou ik onzijdig zijn’

Henny de Lange − 02/04/09, 00:00

Kunstenaar Gerti Bierenbroodspot zal haar eerste ontmoeting, begin jaren zestig, met Karel Appel nooit vergeten. Zij was een ’blond jong ding’ dat net kwam kijken. Appel was al de beroemde Cobra-kunstenaar. Ze vroeg belangstellend aan Appel met welke materialen hij werkte. Zijn reactie: „Waar ik mee schilder? Met mijn reet”.

  • ¿Monsters¿ waren het, de Cobra-mannen, zegt Gerti Bierenbroodspot. ¿Een stelletje vieze oude mannen dat niet kon uitstaan dat ik als jonge vrouw succes had als beeldend kunstenaar.¿ (Werry Crone / Trouw)

’Monsters’ waren het, de Cobra-mannen, zegt Bierenbroodspot. „Een stelletje vieze oude mannen dat niet kon uitstaan dat ik als jonge vrouw succes had als beeldend kunstenaar. Later hoorde ik dat iemand als Ger Lataster niet eens met mij wilde exposeren. Alleen omdat ik een vrouw ben. De jalousie de métier was ongelooflijk. Alleen de onlangs overleden beeldhouwer Shinkichi Tajiri deed normaal. Maar die had een leuke vrouw, de beeldhouwer Ferdi Jansen. Tajiri behandelde me als een méns en gaf me de credits als kunstenaar. Dat gold ook voor Simon Vinkenoog en Lucebert. De anderen waren vreselijk.”

Schilder, beeldhouwer en dichter Gerti Bierenbroodspot (1940) is geen type dat zich snel van de wijs laat brengen. Ze is behoorlijk ’stoer’, zegt ze zelf. Maar als vrouw móet je ook wel stevig in de schoenen staan om als kunstenaar je brood te verdienen. „Je moet lak hebben aan alles wat de buitenwereld zegt en doen wat jij wilt. En je moet je nooit achter het aanrecht laten duwen of met een rijke man trouwen, die vindt dat je met een workshop schilderen voor Shell ook kunstenaar bent.”

Het onderwerp ’vrouwen in de kunst’ ligt haar na aan het hart. Ze heeft wel eens overwogen zich te vermommen, vertelt ze. Mensen kijken meteen anders naar een kunstwerk als ze weten dat het gemaakt is door een vrouw. „Het liefst zou ik onzijdig zijn.”

In de oude metaalfabriek, hartje Amsterdam, waar ze al jaren woont en werkt, treft ze de laatste voorbereidingen voor een expositie in Spanje. Het volgende project is een groot beeld op een metershoge pyloon voor een baggerbedrijf. Minstens een half jaar werk ligt er, en dan zijn er ook nog haar lezingen. Daarna hoopt ze zich te kunnen terugtrekken in haar huis in Italië, om daar te schilderen, te beeldhouwen en te broeden op een opera. „Iedereen verklaart me voor gek, maar die opera gaat er komen.”

Vanaf het moment dat ze na haar opleiding tot tekenleraar aan de avondacademie aan de slag ging als kunstenaar, heeft ze haar eigen brood verdiend. „Dat mag je ook als drijfveer zien.” Maar als aanstormend talent heb je ook een ’patroon’ nodig. Voor haar was dat Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, die had gehoord dat het nichtje van de kunstschilder Leo Gestel aardig kon schilderen. „Als driejarige zat ik al in zijn atelier en wist ik dat ik ook kunstenaar wilde worden. Sandberg kwam op een dag de trap naar mijn atelier op stommelen, bekeek mijn werk en kocht meteen een paar tekeningen. Hij vond het absoluut Cobra en spoorde me aan om daarmee door te gaan. Maar ik wilde geen Cobra zijn, want dan word je een naloper. Het is ook heel gemakkelijk, vind ik, om in de stijl van Cobra te schilderen. Toen kreeg ik van de eigenwijze galeriehoudster Magdalene Sothman het beste advies van mijn leven. Ik moest van haar een jaar in stilte gaan schilderen, mezelf ontwikkelen, en even niet naar het werk van anderen kijken. Ik heb toen een jaar in een grot in Frankrijk gewerkt.”

Haar ouders waren kunstliefhebbers, maar zagen hun dochter liever musicus of dichteres worden. „Ze hebben me niet aangemoedigd, maar dat was ook niet nodig. Ik wilde alleen maar schilderen. Ik huurde een ruimte in een oud pakhuis en ging aan de slag. Vaak in afzondering, maar dat is toch heerlijk? Als kunstenaar wil je toch niets liever dan met je vingers in de verf zitten.” Op een van de muren in haar atelier staat met grote letters VERF IS ALLES. ALLES IS VERF.

Hoewel ze het geluk had dat invloedrijke mensen al snel de kwaliteit van haar schilderijen ontdekten, had ze het zeker als ’jong blond ding’ niet gemakkelijk. „Ook na al die jaren maakt het nog uit of je man of vrouw bent. In het museum hoorde ik eens mensen praten. Ze dachten dat ik een man was, omdat Gerti een Friese jongensnaam is. Zo beoordeelden uitsluitend mijn werk, en zo zou het altijd moeten zijn.”

Talent lijkt bij vrouwen ondergeschikt te zijn. „De focus ligt altijd op het vrouw zijn en niet op de kunstenaar. Net als in de politiek. Als het over Hillary Clinton gaat, gaat het ook vaker over haar kapsel en haar stem dan over wat ze presteert. Natuurlijk zijn er uitzonderingen als Marlene Dumas en Charley Toorop, maar die zijn haast popsterren.”

Hoe dit te doorbreken? Het voornemen van Centre Pompidou om structureel aandacht te besteden aan het werk van vrouwelijke kunstenaars juicht ze toe. Wellicht volgen andere musea dit voorbeeld. En verder is het toch vooral een kwestie van ’er helemaal voor gaan en lak hebben aan de buitenwereld’. „Voor mij had dat bijvoorbeeld als consequentie dat ik geen kinderen heb. Mijn moeder keek me wel eens aan met zo’n blik van: waarom heb ik geen kleinkinderen? En dan riep ik altijd: Ik ben kunstenaar, mam. En ik wil niets anders.”

mailIcon print |