De romans van Allard Schröder verplaatsen je in een onheilzwangere wereld. Zijn nieuwste, ’Amoy’, speelt zich af in een Chinese havenstad, anno 1937. Helaas inspireert dat exotische decor hem niet tot een frisse aanpak, vindt Jaap Goedegebuure.
Wie het werk van Allard Schröder wil typeren, komt een heel eind met het etiket magisch-realisme. En dan geen magisch-realisme naar het zweverige recept van auteurs als Hubert Lampo of Paolo Coelho, maar eerder iets met het cachet van Bordewijk en Nijhoff, niet toevallig allebei tijdgenoten van Carel Willink, schilder van de onheilszwangere taferelen die zo karakteristiek zijn voor de jaren dertig van de vorige eeuw. Schröders geliefde atmosfeer is die van Nijhoffs verhalende gedicht ‘Het uur U’ (1937), dat zich afspeelt in een naamloze straat, gelegen in een naamloze wijk aan de rand van een naamloze stad. Het is er doodstil, op het spel van een handjevol kinderen na. Genadeloos stort de zon er zijn blikkerende licht uit. Dan komt een man de hoek om. Niemand weet wie hij is, maar in de paar minuten dat hij de huizenrijen tussen nummer 1 en nummer zoveel passeert tollen de levens van de buurtbewoners een paar slagen in het rond. Alsof de rattenvanger van Hamelen voorbijging.
Schröders romans en verhalen zijn steevast doortrokken van eenzelfde hallucinante mengeling van realiteit en droom. De personages lijken gewone mensen, maar nog voordat we met hen vertrouwd zijn, staat hun bestaan al uit het lood. De titelfiguur van ‘Grover’ (1999) wordt betrokken in intriges en vetes en verzeilt, mede dankzij het weerzien met een oude vriend, in schemergebieden waar de redelijkheid verkruimelt en God noch gebod telt. Op weg naar een nieuwbouwproject dat hij moet managen strandt Favonius uit de gelijknamige roman in het zompige dorp Overlethe en vervalt er in een fatale lethargie. En de kekke zakenvrouw Lotte, titelheldin van ‘De econome’ (2008), raakt in de ban van een jongeman die van gene zijde lijkt te komen en haar steeds verder het schimmenrijk in lokt. Altijd laat Schröder wel een femme fatale, een Lolita-achtige nimfijn, een dubieuze dubbelganger of een engel der wrake opduiken, en altijd weer loopt de geschiedenis uit op geweld, dood en verderf.
Met zijn nieuwe roman ‘Amoy’ heeft Schröder zich niet alleen in de geest bij Nijhoff, Bordewijk en Willink gevoegd, maar ook in de tijd. We schrijven 1937, het jaar van de Japanse inval in China die kan gelden als een opmaat (een van de vele) tot de Tweede Wereldoorlog. Louis Seghers, een niet erg succesvolle, door zijn vrouw in de steek gelaten advocaat die zich om den brode op het kaartspel heeft gestort, neemt de opdracht aan om in de Chinese havenstad Amoy (vandaag de dag bekend als Xiamen) op zoek te gaan naar de spoorloos verdwenen vertegenwoordiger van een Nederlands-Indische handelsfirma.
Al gauw blijkt hem dat deze Freyler zich in opdracht van zijn werkgever heeft beziggehouden met wapenleveranties aan het Chinese leger, in ruil voor opium. Voordat Seghers het goed en wel beseft, zit ook hij in het complot, en dat niet alleen omdat hij zich tegen wil en dank medeplichtig maakt aan louche praktijken, maar vooral vanwege de door anderen gesuggereerde gelijkenis met Freyler die hij accepteert als een prima passend maatkostuum. Seghers heeft erg zijn best gedaan om het aan Nietzsche ontleende adagium ’Word wie ge zijt’ na te volgen, maar omdat hij bepaald geen Übermensch is, moet hij de sterke persoonlijkheid buiten zichzelf zoeken. Dus komt het zich plotseling aandienende alter ego als geroepen.
Seghers geestelijke metamorfose wordt begunstigd door zijn fascinatie voor de even mooie als geheimzinnige Grace Dan, echtgenote van een rijke Chinees. Hij zal nooit weten of ze het oog op hem heeft laten vallen uit hartstocht, verveling of berekening, maar uiteindelijk maakt dat voor hem niets uit, hopeloos verstrikt als hij is in zakelijke machinaties en in het minnespel met Grace. Zowel het ene als het andere kluistert hem aan Amoy, tot de Japanse barbaren voor de poort staan en alle schijnwerelden kletterend aan scherven vallen.
Voor zijn vertrouwde ingrediënten (de sfeer van zacht woekerende decadentie, de onbestemde dreiging die uitgaat van een lome en landerige zomernamiddag, de zuigende leegte waarin alle levenslust verdwijnt), heeft Schröder ditmaal geput uit de couleur locale van Amoy anno 1937. Sinds het midden van de negentiende eeuw werd die havenstad gecontroleerd door westerse mogendheden die greep wilden krijgen op de Chinese markt. Het voor de kust van Amoy gelegen eiland Go Long Su was de facto internationaal gebied. Het is op dit eiland, door Schröder expliciet vergeleken met het mythische rijk der vergetelheid dat Odysseus op zijn dooltocht aandeed, dat het verhaal zich afspeelt.
In ‘Amoy’ wreekt zich een haast dwangmatige herhaling van een oud en beproefd recept. Wat in Allard Schröders beste werk, ‘Raaf’ en ‘Favonius’ voorop, nog een stuwende kracht was, is hier afgezwakt tot een gekunstelde truc. Eigenlijk kon je dat al zien aankomen in ‘De econome’, waar de opzettelijk mat en afstandelijk gestileerde verteltrant af en toe flink doorschoot naar de romantische edelkitsch, om van de vele clichés en stoplappen in de stijl nog maar te zwijgen. In de nieuwe roman rijzen bombast en pathetiek nog verder de pan uit, vooral wanneer Seghers zich geconfronteerd ziet met geheimzinnige oosterlingen. „Gitzwart steen, dat onaangedaan de eerste dag had gezien en even onaangedaan ook de laatste zou aanschouwen, een ondoordringbare samengebalde duisternis, vanbinnen even zwart als wat zich boven hen buiten de dampkring bevond.” Het wordt gezegd van Freylers bediende. En zo ziet het signalement van Grace er uit: „Nooit zou een godin als zij hem uit eigen vrije wil volgen naar de aardse eikenhouten kamers, de rusteloze luchten, de antimakassars van Den Haag, waar het leven geruisloos voorbijgaat, maar de teerling was al geworpen.” Het lijkt een parodie op een ouderwetse draak, maar ik vrees dat het bittere ernst is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.