*

 

Een oceaan, twee postbodes en ¿1,60 aan postzegels

Julie Phillips − 03/01/09, 00:00

We mailen, chatten, hyven en sms’en. Maar we schrijven nooit meer een brief. Is dat erg? Gaat daarbij iets verloren? Julie Phillips vindt van wel. Vroeger schreef ze liefdesbrieven aan haar J., die aan de andere kant van de oceaan woonde. Dat kweekte geduld, want het schrijven én het wachten op antwoord kostten tijd. Gek genoeg word je van brieven schrijven ook openhartiger. Had Belle van Zuylen zo durven flirten als ze voor een webcam had gezeten?

O, lieveling, die je bent, mijn God, wat maak je me gelukkig! Oh, die brief, die brief van jou, dien ik kus en kus...O, dat je van me houdt,--dat je óók van me houdt, en dat zóó hebt gezegd...O, zaligheid, zaligheid, dat ik iets ben in je leven.
--Jeanne Reyneke van Stuwe aan Willem Kloos, april 1899

Ik denk weleens dat ik de laatste ben geweest die nog liefdesbrieven heeft geschreven. Vergeleken met de stijl van een eeuw geleden waren ze niet eens erg romantisch. Wat het zoenen betreft waren J. en ik al een stuk verder gegaan dan het kussen van elkaars brieven. Maar als kinderen van een cynischer tijdperk vonden we het wél heel gewaagd om te schrijven: „Ik hou van je”: daarmee passeerden we een grens van coole afstandelijkheid.

Hoe dan ook, we schreven brieven. Lange, met de hand geschreven exemplaren, met postzegels. We wisten precies wanneer de laatste buslichting viel, en we renden naar beneden zodra we de postbode hoorden. Maar geduld hadden we ook: de brieven moesten de oceaan over, en een antwoord liet zeker tien dagen op zich wachten. (Bellen kostte ¿1,50 per minuut.)

Als ik dan eindelijk een brief van J. gekregen had, droeg ik die dagenlang met me mee. Ik haalde hem af en toe tevoorschijn, keek naar mijn naam en adres, geschreven in zijn karakteristieke handschrift, vouwde de velletjes open en las hem opnieuw. Soms stuurde J. tekeningen of foto’s mee. Een keer knipte hij de zijkant van een met bloemen bedrukt Melkunie-literpak uit en plakte dat in zijn brief: ’tulpen uit Amsterdam’. Toen ik op een dag, op weg naar huis, een van J.’s geïllustreerde ansichtkaarten verloor in de metro, was ik net zo ongelukkig als ik nu zou zijn wanneer mijn harddisk zou crashen.

Als we elkaar nu hadden ontmoet, en niet vijftien jaar geleden, zouden er geen brieven zijn geweest. We zouden hebben gechat, geskypet, berichten op elkaars Facebook-pagina hebben geplaatst. We zouden onze iPhones tevoorschijn hebben gehaald en naar elkaars huis hebben gestaard op Google Earth. We zouden links en foto’s hebben gemaild, elkaars plaatselijke weerbericht op onze startpagina hebben gezet.

Ik denk niet dat we het brieven schrijven zouden hebben gemist. Gehecht zijn aan de brief als ding, is dat uiteindelijk niet gewoon nostalgie? Net als het bewaren van je oude lp’s: je vindt die grote hoezen mooi, je houdt van het zwarte vinyl, je wordt sentimenteel bij het geruis en gekraak. Maar de muziek is gewoon hetzelfde.

Toch denk ik dat het verschil had gemaakt. We waren verlegen mensen en voelden ons veiliger op papier. Zouden we elkaar in de digitale wereld echt hebben leren kennen? Zouden we het gevoel hebben gehad een innig gesprek te voeren?

Dat was, en is, de magie van de brief. Daarom schrijven we brieven, daarom lezen we ook graag brieven van derden. Later, toen ik werkte aan een biografie, las ik mappen vol brieven van en aan het onderwerp van mijn boek. Vaak was het alsof ik naar een toneelstuk keek waarin twee spelers elkaar steeds beter leerden kennen. Ze roddelden, discussieerden, deden plotselinge bekentenissen, werkten samen ideeën uit, kregen ruzie, werden vrienden.

De kunst van het briefschrijven heeft iets van de kunst van het acteren: je speelt een rol voor een eenmanspubliek. Maar paradoxaal genoeg wekt correspondentie ook grotere openhartiger in de hand dan een gewoon gesprek. Belle van Zuylen, een van onze grootste literaire flirts, schreef in 1764 aan Constant d’Hermenches:

Ik kan niet tot je spreken zoals ik je kan schrijven. Als ik je spreek zie ik een man voor me, een man tot wie ik nog geen tien maal in mijn leven het woord heb gericht; het is niet meer dan natuurlijk dat ik van de wijs raak en dat ik bepaalde woorden niet durf uit te spreken.”

Iedereen zal dat gevoel herkennen. Tieners helemaal; daarom sms’en ze liever dan dat ze bellen. Zou Belle van Zuylen zo’n flirt zijn geweest voor een webcam? Hadden J. en ik, via de schokkerige beelden van Skype, zo openhartig durven te zijn?

Ik mis de openheid van de brief. Maar wat ik nog meer mis, is het geduld dat je ervoor moest opbrengen. Het maakte niet uit aan wíe je een brief schreef - ik correspondeerde toen met een heleboel vrienden -, het schrijven ervan kostte tijd. Je ging ervoor zitten, je probeerde het hele vel vol te schrijven; en als je onderaan de bladzij was, maar nog iets kwijt wilde, schreef je verder in de marge of ergens bovenaan. Je moest nadenken over wat je wilde zeggen.

In een artikel in het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic met de titel ’Maakt Google ons dom?’ schrijft IT-filosoof Nicholas Carr dat hij, sinds hij internet gebruikt, zo gewend is geraakt om van link naar link door te klikken dat het hem niet meer lukt om gewoon een boek te lezen. „Ik word rusteloos, raak de draad kwijt, laat me afleiden. Ik moet constant mijn onwillige brein terugslepen naar de tekst.”

Om dezelfde reden lukt het briefschrijven mij niet meer. Ik klik nu door van vriend naar vriend, van netwerksite naar blog. Ik heb met meer mensen contact dan ooit, maar diep gaat het niet. Zelfs een ouderwetse e-mail aan een vriendin is al te tijdrovend en op een bepaalde manier te intiem. Een lang bericht schrijven is bijna onbeleefd. Je overtreedt daarmee een van de belangrijkste etiquetteregels van deze generatie: leg geen beslag op andermans tijd.

Veel mensen die ik ken communiceren inmiddels door berichten te verspreiden onder hun hele vriendenkring. Laatst mailde ik aan een vriend die vijfduizend kilometer van mij vandaan woont dat een gemeenschappelijke kennis bij mij thuis in Amsterdam langs was geweest. Hij antwoordde: „Weet ik. Ik las het op haar blog.”

Zonder de geconcentreerde aandacht die de brief van ons vraagt, verdelen we onze aandacht steeds oppervlakkiger over steeds meer vrienden. We dreigen, om met de New Yorkse theatermaker Richard Foreman te spreken, te veranderen in ’pannenkoekmensen’.

Ik heb al jaren geen liefdesbrief meer geschreven. Als ik nu iets tegen J. wil zeggen, hoef ik alleen maar naar hem toe te lopen: hij zit verderop in de kamer. Maar ik geloof niet dat ik nu zo veel tegen hem zeg als toen. Vroeger brachten we uren met elkaar door – van elkaar verwijderd door een oceaan, twee postbodes, en ¿1,60 aan postzegels, maar verbonden door een vel papier.

Het was briefpapier dat ons de moed gaf om iets te zijn in elkaars leven.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />