Prozaschrijvers mogen een voorliefde hebben voor katten of honden, dichters op hun beurt zijn vaker geboeid door vogels. Door leeuweriken en reigers bijvoorbeeld. Dichters herkennen zich in dieren die hoog boven het aardse gewoel kunnen opwieken.
Nu valt de vogel nog onder het algemenere kopje ’dieren’, maar ik denk dat de Boekenweek net zo gemakkelijk en vruchtbaar aan het thema ’vogels’ gewijd had kunnen worden. Niet toevallig luidt het motto dit jaar: ’Tjielp tjielp - de literaire zoo’. Geen dier zo aanwezig in de Nederlandse letteren als de vogel. Het hele verhaal begint er direct al mee: ’Hebban olla vogala nestas hagunnan, hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?’ Een liefdesliedje, zoals we op school leren, en daarom was deze ’lieflijke oerknal’ zoals historicus Frits van Oostrom het ooit noemde, al het motto van de Boekenweek 2002, ’Liefde in de literatuur’.
Een karakteristiek begin, want in de literatuur zijn vogels zelden of nooit louter vogels maar staan ze vaak symbool voor iets anders. Voor geliefden dus, maar in het gedicht ’De vogels’ van Nijhoff zijn het werkeloze fabriekarbeiders die niet gevoederd worden: „Andere vogels hebben het niet zo. / Ik heb hen vaak op de brug gadegeslagen, / zij haalden brood op het stempelbureau.”
Maar bovenal is de vogel toch vaak een verkapte dichter. Beroemd is Boutens’ ’Leeuwerik’, hoog opwiekend boven de aarde en de aardse smart om daar bovenuit te zingen. Nog beroemder is de door Slauerhoff vertaalde ’Albatros’ van Baudelaire: majesteitelijk in de lucht maar op het scheepsdek een plompe waggelaar: „Zoo de poëet temidden van ’t gepeupel”, zegt Baudelaire/Slauerhoff erbij om elk misverstand uit te sluiten.
Een echte vogeldichter was Chris van Geel, hij tekende ze ook heel veel, maar zelfs bij hem zijn vogels niet zomaar vogels. Neem deze ’reiger’:
Een reiger loopt voorzichtig
op hoge poten door
de sloot en brengt zijn spieden,
ook als het donker is,
als witvis aan het licht.
Van Geel zelf noemde dit gedicht een Ars Poëtica. De dichter/reiger spiedt naar wat onder water, donker is en brengt dat als witvis, een gedicht, aan het licht.
Overal in de Nederlandse dichtkunst kom je zulke poëtische reigers tegen. De dichter Bert Bevers wijdde er zelfs ooit een afzonderlijke bloemlezing aan, ’Blauwe Reiger, Ardea Cinerea’, waarin het beest bijvoorbeeld beschreven wordt als ’grijs en dun, als een geneesheer zonder instrumenten’.
Vliegen er dan eigenlijk wel zuivere en onvermomde vogels door de letteren? Misschien moet je daarvoor bij de biologen zijn, Maarten ’t Hart bijvoorbeeld. Ja, die zie je in zijn boeken wel naar paapjes kijken omdat het paapjes zijn en naar rietzangers luisteren omdat ze zo schel en doordringend fluiten. Maar in zijn beroemdste roman ’Een vlucht regenwulpen’ staan de vogels uit de titel toch weer symbool voor iets anders. Ze komen namelijk langs vliegen op het moment dat Maartens moeder sterft. Toevallig misschien, maar in romans is iets nooit echt toeval.
Waarom zijn schrijvers en dichters zo geboeid door vogels? Uit hun teksten erover kun je opmaken dat de vrijheid van vogels hen trekt, maar ook de manier waarop ze nestjes bouwen, een prooi vangen of sterven. Kennelijk voelen ze toch iets van verwantschap. In zijn verhalenbundel ’Vogelzaken’ schrijft Tonnus Oosterhoff over een wintertafereel: „In de oksels van hun takken slapen de mezen en de goudhaantjes in enorme bollen. Het is mogelijk, dat de wind van min elf graden de diertjes aan de buitenkant bevriest. Misschien stikken de binnenste; maar dat zijn vogelzaken.” Vogelzaken jazeker, maar op het omslag liet de schrijver zetten: „Het lot van de personages in dit boek heeft wel wat gemeen met dat van de terloops opgemerkte en in zeker opzicht onbetekenende vogeltjes.”
Bij zoveel antropomorfe vogels is het geen wonder dat T. van Deel in zijn bloemlezing ’De vogel’ probeerde nu eens aandacht voor de vogel zelf op te brengen, de onboodschappelijke vogel zeg maar. Maar alleen al het feit dat er woorden voor gebruikt moeten worden, lijkt de soort onherroepelijk met menselijkheid te besmetten. Neem deze leeuwerik van Dick Hillenius, ook een bioloog trouwens:
Groots is het liedje niet
maar het geluid, het kleine vliegbeeld
de vleugels wijd gespreid om meer nog
van de warmte te ontvangen
de warmte opstijgend boven het koren
en daar een deel van zijn
deel zijn, deel hebben aan
uitstijgend zingen boven het warme land
zo houden van leven is leven
en weten van leven
Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat Hillenius bij dit gedicht niet aan de befaamde leeuwerik van Boutens heeft gedacht, dringt zich toch vanzelf een soort vogellesje voor de mens op in de slotregels: „zo houden van leven is leven / en weten van leven”.
De mens kan dus wat van vogels leren. Misschien dat daarom zoveel schrijvers niet alleen op papier maar ook in het dagelijks leven vogelaars zijn. Koos van Zomeren, T. van Deel, Maarten ’t Hart, ze koekeloeren allemaal graag naar vogeltjes. Hans Dorrestijn wijdde er zijn leukste werk aan, ’Dorrestijns vogelgids’, van Kester Freriks verschenen zojuist maar liefst twee titels, ’De valk’ en ’Vogels kijken’.
Om de gezichtsuitdrukking van vogels zal het die schrijvers overigens niet te doen zijn. Koos van Zomeren merkte ooit op: „wat mimiek betreft zijn vogels nogal karig bedeeld; iemand heeft hun gezichten onbeweeglijk aan de snavel bevestigd”. En dat is zo, zelfs de homoseksuele necrofiele woerd die ’eendenman’ Kees Moelijker onlangs beschreef, en die allicht ons beeld van een vrije en blije vogelwereld verstoorde, keek onverstoorbaar tijdens zijn afstotelijke bedrijf.
Mensen zijn toch anders en kijken, anders dan de meeste dichters onder hen, naar vogels juist omdat ze van hen verschillen. In het meest vogelachtige gedicht dat de Nederlandse literatuur opleverde en dat ook het motto voor deze boekenweek voedt, komt dan ook geen mens voor. Ik denk dat daarom ’De mus’ van Jan Hanlo de lezer zo fascineert en misschien wel schokt van eenvoud:
Tjielp tjielp _ tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp _ tjielp tjiep
tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp
Tjielp
etc.
Alleen dat ’etc.’ aan het einde moet van een mens afkomstig zijn. Die houdt het gewoon niet vol om zo lang en eindeloos te blijven zingen. Zelfs niet als-ie dichter is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.